12. En Hij heeft gezegd: Gij zult niet meer als voorheen vrolijk huppelen, o gij verdrukte maagd, gij dochter van Zidon! 1) Tot hiertoe hebt gij u voor ene maagd gehouden, die niemand mag aantasten, gij land van Zidonië; maar gij zijt nu ene geschandvlekte geworden, en de roem uwer onschendbaarheid is voor altijd verdwenen. Naar Chittim, Cyprus, toe, maak u op, vaar over, om u daar een toevluchtsoord te zoeken; maar het zal u niet gelukken, ook zult gij aldaar gene rust hebben. 2)
1) Tyrus, door de Zidoniërs gesticht en bevolkt (zie Vers 2) wordt hier in den eigenlijken zin Zidons dochter genoemd, en beschreven als een ongeschonden maagd. Vóór hare verovering door Nebukadnezar, had zij geen vreemd geweld geduld; zij huppelde en dartelde in het gevoel van hare schoonheid, rijkdom en vrijheid, maar nu zou zij het niet langer doen; zij zou geweld ondergaan; de woeste krijgsman zou haar schenden, haar tot den staat ener dienstmaagd en slavin vernederen. "Geschonden maagd; " ook bij ons is het zinnebeeld niet onbekend, waardoor men ene nooit verwonnen vesting bij ene ongerepte maagd vergelijkt en haar "geschonden", zegt, wanneer zij voor het eerst in de macht eens vijands valt. Doch bij Oosterlingen wordt ditzelfde zinnebeeld met zoveel stoutheid en in zo vele zinnebeelden uitgevoerd, dat wij in onze streken en bij onze zeden daaraan niet zouden durven denken.
Of, Gij verdrukte (geschandvlekte), gij jongvrouwelijke dochter Zidons. Zidon achtte zich als een jonkvrouw onaantastbaar, was daarop zeker en gerust, maar de Heere voorspelt hier, dat zij geschandvlekt, onteerd zal worden, dat haar naam en eer zal vergaan. 2) Ook Cyprus was door de Feniciërs gesticht. Ook Cyprus had het knellend juk van Zidon gedragen. Vandaar dat, nu het juk, door de verwoesting der moedersteden, van den hals was genomen, de inwoners der moederstad in de koloniën niet begeerd werden en er geen rust zouden vinden.