Jesaja 17:1-5
Wij hebben hier de last van Damascus. De Chaldeeuwse paraphrase geeft de lezing: de last van de beker van de vloek, die Damascus moet drinken, en daar de tien stammen in verbond waren met Damascus, moeten ze verwachten Damascus bescheid te zullen doen met die beker van de zwijmeling, als hij rondgaat.
I. Damascus zelf, de hoofdstad van Syrië moet verwoest worden, de huizen zullen waarschijnlijk verbrand worden, tenminste zullen de muren en poorten en fortificaties afgebroken worden, en de inwoners gevankelijk weggevoerd, zodat zij voor het ogenblik weggenomen wordt, dat zij geen stad meer zij, en niet slechts tot een dorp verminderd is, maar tot een vervallen steenhoop is gemaakt, vers 1. Zulk een werk van verwoesting wordt door de zonde in steden aangericht.
2. De landsteden zijn verlaten door haar inwoners, er van weggevlucht, of door de invallenden vijand er toe gedwongen, de steden van Aroër, -een provincie van Syrië, aldus genoemd-zullen verlaten worden, vers 2, de overwonnenen durven er niet blijven, en de overwinnaars hebben hen niet nodig, ze hebben ze ook niet ingenomen uit behoefte of gebrek, maar uit moedwil of brooddronkenheid, zodat de plaatsen, waarin mensen moesten wonen, voor de kudden zullen zijn om er in neer te liggen, hetgeen zij kunnen doen zonder dat iemand ze verschrikt of stoort. Statige huizen zijn in schaapskooien veranderd. Het is vreemd dat grote veroveraars er roem in stellen om de valse vijanden van het mensdom te zijn. Maar hoe onrechtvaardig zij ook zijn, God is rechtvaardig in te maken dat deze steden haar inwoners uitspuwen, die zich door hun goddeloosheid verfoeilijk hebben gemaakt, het is beter dat kudden daar neerliggen, dan dat zij dezulken herbergen, die in openlijke rebellie zijn tegen God en de deugd.
3. De vestingen van Israël, het rijk van de tien stammen, zullen tot puinhopen worden. De vesting zal ophouden van Efraïm, vers 3, die van Samaria met al de overige. Zij hadden zich geheel onnatuurlijk verbonden met Syrië, om een inval te doen in Juda, en nu zullen zij, die deelgenoten zijn geweest in de zonde, deelgenoten zijn in het verderf, en dat wel rechtvaardig. Als de vesting zal ophouden van Efraïm, waardoor Israël verzwakt zal worden dan zal de koning ophouden van Damascus, waardoor Syrië te gronde zal gaan. De Syriërs waren de aanvoerders in het bondgenootschap tegen Juda, en daarom worden zij het eerst en het zwaarst gestraft, en omdat zij gesnoefd hebben op hun verbond met Israël, wordt hun nu Israël verzwakt is, dat snoeven verweten het overblijfsel van de Syriërs zullen zijn gelijk de heerlijkheid van de kinderen Israëls, de weinigen die van Syrië overgebleven zijn, zullen in even geringe en verachtelijke toestand zijn als waarin de kinderen Israëls zich bevinden, en de heerlijkheid van Israël zal hun geen verlichting of eer wezen. Zondige verbintenissen zullen geen kracht, geen steun zijn voor de verbondenen, als Gods oordelen over hen komen.
Zie hier wat de heerlijkheid van Jakob is, als God met hem twist, en hoe weinig reden Syrië zal hebben om er trots op te zijn, dat het aan de heerlijkheid van Jakob gelijk is.
A. Zij is vermagerd, zoals iemand, die de tering heeft, vers 4. De heerlijkheid van Jakob was zijn talrijkheid, dat het zaad van Jakob was als het zand van de zee in menigte, maar deze heerlijkheid zal verdund worden, als velen gedood zullen zijn en weinigen zijn overgebleven, dan zal de vetheid van hun vlees, die hun trots was, mager worden, en het lichaam van het volk zal als een geraamte zijn, niets dan vel en been. Israël stierf aan een kwijnende ziekte het rijk van de tien stammen slonk langzaam weg. God was Israël als een mot, Hosea 5:12. Zodanig is al de heerlijkheid van deze wereld, zij verwelkt snel en wordt dun gemaakt, maar er is een veel meer uitnemend en eeuwig gewicht van de heerlijkheid, bestemd voor het geestelijk zaad van Jakob, en die niet onderhevig is aan zo'n verval, vettigheid van Gods huis, die niet mager zal worden.
B. Zij is bijeengedreven en weggevoerd door het Assyrische leger, zoals het koren van het veld weggevoerd wordt door de landman vers 5. Het koren is de heerlijkheid van het veld Psalm 65:14, maar als het afgemaaid en weggevoerd is, waar is dan de heerlijkheid? Het volk had zich door hun zonden rijp gemaakt voor het verderf, en hun heerlijkheid werd even snel, even gemakkelijk, even rechtvaardig en even onweerstaanbaar afgesneden en weggenomen, als het koren door de landman van het veld wordt weggenomen. Gods oordelen worden vergeleken bij het zenden van de sikkel om te maaien, als de oogst rijp is, Openbaring 14:15. En het zegevierende leger zal, evenals de zorgzame landman in het dal Refaïm waar het koren buitengewoon was, indien hij het verhelpen kan, geen aar achterlaten, niets verliezen van hetgeen waarop zij de hand kunnen leggen.