Jesaja 16:6-14
Hier hebben wij
I. De zonden, die aan Moab ten laste worden gelegd, vers 6. De profeet schijnt er zichzelf voor te bestraffen, dat hij tracht goede raad te geven aan de Moabieten, daar hij tot de gevolgtrekking komt dat zij de raad, die hij hun geeft, niet zullen aannemen. Hij zei hun wat hun plicht was, -hetzij dat zij er naar wilden luisteren of niet-maar wanhoopt er aan iets goeds bij hen uit te richten, hij zou hen hebben willen genezen, maar zij wilden niet genezen worden. Zij, die geen raad willen aannemen, kunnen niet geholpen worden. Hun zonden waren:
1. Hoogmoed, daar wordt de meeste nadruk op gelegd, want er gaan misschien meer kostelijke zielen verloren door hoogmoed dan door enigerlei andere zonde. De Moabieten waren bekend om hun hovaardij. Wij hebben gehoord de hovaardij van Moab, het is hetgeen, waarover al hun buren schande roepen, hij is zeer hovaardig, de massa van het volk is dit vergetende het lage van hun afkomst en het brandmerk van de schande, dat hun ingedrukt was door de wet van God, dat geen Moabiet in de vergadering van de Heer zal komen tot in eeuwigheid, Deuteronomium 23:3. Wij hebben gehoord van zin hoogmoed en hovaardij. Het is niet het haastig en streng oordeel van één of twee personen omtrent hen, maar de hoedanigheid, die allen, die hen kennen, hun zullen toeschrijven, het is een trots, hoogmoedig volk, en daarom zullen zij geen goede raad, die hun gegeven wordt, opvolgen, zij vinden zichzelf te wijs om raad te behoeven. Daarom zullen zij ook Hizkia's voorbeeld niet volgen, om recht te doen en barmhartigheid lief te hebben, zij verachten het om hem tot hun model te kiezen, want zij achten zich in staat hem te onderwijzen. Zij zijn hoogmoedig, en daarom willen zij zelfs aan God niet onderworpen zijn noch acht slaan op de waarschuwingen, die Hij hun geeft. De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet, al zijn gedachten zijn dat er geen God is, zij zijn hoogmoedig, en daarom willen zij Gods verdrevenen niet herbergen en beschermen, zij verachten het om iets van doen met hen te hebben, maar dit is nog niet alles.
2. Wij hebben ook gehoord van zijn verbolgenheid-want zij, die zeer hoogmoedig zijn, zijn gewoonlijk ook zeer driftig, inzonderheid zijn verbolgenheid op het volk van God, dat hij het dus veeleer zal vervolgen dan beschermen.
3. Het is met zijn leugens, dat hij bevrediging verkrijgt van-zijn hoogmoed en zijn hartstochten maar zijn leugens zijn zo niet vers 6, hij zal zijn twisten en boze plannen niet ten uitvoer kunnen brengen zoals hij gehoopt had. Sommigen lezen deze volzin aldus: zijn hoogmoed, zijn hovaardij en zijn verbolgenheid zijn groter dan zijn kracht. Wij weten dat wij, indien wij in zijn macht waren, geen genade bij hem zouden vinden, maar zijn macht en kracht zijn niet in evenredigheid met zijn boosaardigheid, zijn hoogmoed brengt verderf over zijn hoofd, want hij is de inleiding tot verwoesting, en hij heeft de kracht niet om haar af te weren.
II. De smart, waarmee Moab bedreigd wordt vers 7. "Daarom zal Moab over Moab huilen. Al de inwoners zullen bitterlijk wenen over het verderf van hun land, zij zullen bij elkaar klagen, een ieder hunner zal in wanhoop huilen, en geen van hun zal een reden zien of de moed hebben om zijn vriend moed in te spreken."
Merk op:
1. De oorzaak van deze smart: A. De verwoesting van hun steden, over de fundamenten van KirHareseth zult gijlieden zuchten, die grote en sterke stad, welke stand hield tegen een machtig leger, 2 Koningen 3:25, zal nu met de grond gelijk gemaakt worden hetzij verbrand of afgebroken, en haar fundamenten verbroken en vernield, dat is de betekenis van het woord, zij zullen huilen, als zij hun prachtige steden in puinhopen zien veranderd.
B. De verwoesting van hun land. Moab was vermaard om zijn velden, zijn weiden en wijngaarden, maar deze zullen allen verwoest worden door het invallende leger van de vijand vers 8, 10. Zie:
a. Welk een vruchtbaar, lieflijk land zij hadden, als de hof van de Heer, Genesis 13:10. Het was beplant met keur van edele wijnstokken, met uitgelezen planten, die zelfs reiken tot aan Jaëzer, een stad in de stam van Gad, de weelderige ranken van hun wijnstokken dwalen door de woestijn, zijn scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over de zee, de Dode Zee, in hun hagen zelfs groeiden nog de beste druiven.
b. Hoe vrolijk en aangenaam zij er in waren geweest, menigmaal hadden zij gejuicht over hun zomervruchten en om hun oogst, zoals het landvolk soms ook bij ons doet, als zij al hun koren hebben gemaaid. Zij hadden vreugde en blijdschap gehad in hun velden en wijngaarden, zongen en juichten bij het uitpersen van de druiven, niets wordt gezegd van hun loven van God voor hun overvloed, of dat zij er Hem de eer voor gaven. Als zij het tot het onderwerp van hun dankzegging hadden gemaakt, dan zou het nu nog de oorzaak van hun blijdschap hebben kunnen zijn, maar zij maakten het tot het voedsel en de brandstof van hun lusten. Zie daarom,
c. Hoe zij van alles beroofd zullen zijn. De velden zullen kwijnen, daar al de vruchten ervan weggevoerd of vertrapt zijn, zij kunnen nu niet meer, zoals vroeger, hun eigenaars verrijken en daarom kwijnen zij, zij zijn verflauwd. De soldaten, hier de heren van de heidenen genoemd, zullen alle planten uitrekken, hoewel het uitgelezen planten waren, de keur van die verkregen konden worden. Nu is het gejuich over de zomervruchten verstomd, het is in gehuil veranderd over het verlies ervan, de blijdschap over de oogst is opgehouden, er is geen zingen geen juichen meer over het uitpersen van de wijn in de wijnbakken, zij hebben niet meer wat zij gehad hebben om er zich in te verheugen, ook hebben zij geen neiging tot blijdschap, het verderf over hun land heeft hun vrolijkheid bedorven. God kan spoedig de toon veranderen van hen, die het meest geneigd waren tot vrolijkheid en vermaak, kan spoedig hun lachen in geklaag veranderen, en de blijdschap in droefheid. Blijdschap in God is daarom ook veel beter dan blijdschap over de oogst omdat wij daarvan niet beroofd kunnen worden Psalm 4:7, 8. Verwoest hun wijnstokken en vijgenbomen, en gij maakt een einde aan al de vrolijkheid van een wereldsgezind hart Hosea 2:11, 12. Maar een godvruchtige kan zich verblijden in de Heer, de God van zijn heil, zelfs als de vijgenboom niet bloeien zal en er geen vrucht aan de wijnstok zal zijn, Habakuk 3:17, 18. Laat ons daarom ons ten allen tijde in God verblijden met een heilig juichen, en laat ons ons in alle andere dingen verblijden met een heilige vreze, blij zijnde als niet blij zijnde.
2. De samenstemming met de profeet in hun smart. "Daarom beween ik in de wening over Jaëzer de wijnstok van Sibma, en zie met medelijden de verwoesting van zo'n lieflijk land, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hermon, ik vermeng mijne tranen met de uwe" -ja het blijkt een innerlijke smart te zijn, vers 11 daarom rommelt mijn ingewand over Moab als een harp, het maakt zo'n indruk op hem, dat hij een inwendig sidderen gevoelt, zoals de snaren van een harp als zij bespeeld wordt. Het betaamt Gods profeten zich gemeenzaam bekend te maken met smart, de grote Profeet was dit, Jesaja 53:3. De beproevingen van de wereld, zowel als die van de kerk, moeten ook voor ons beproevingen zijn. Zie Hoofdstuk 15:5.
Aan het slot van dit hoofdstuk hebben wij:
A. De ongenoegzaamheid van de goden van Moab, de valse goden, om hen te helpen, vers 12. Moab zal spoedig de hoogten moede zijn, hij zal zijn kracht verspillen in zijn bidden tot zijn afgoden, zij kunnen hem niet helpen, en hij zal er van overtuigd zijn dat zij het niet kunnen. Het wordt gezien dat het doelloos is om hulp te verwachten van de hoogten van de aarde, zij moet komen van boven de bergen. De mensen zijn over het algemeen zo stompzinnig dat zij de ijdelheid van de afgoden niet willen geloven, voordat men haar hun heeft doen zien, evenals die van alle vertrouwen in schepselen, en zij willen er niet van aflaten, voordat zij er moe door zijn gemaakt. Maar als hij zijn hoogten moe is, dan wil hij niet zoals hij meest, naar Gods heiligdom gaan, maar naar zijn heiligdom, naar de tempel van Kamos, de voornaamste afgod van Moab, zo wordt het algemeen verstaan, en daar zal hij met even weinig vrucht bidden en met even weinig verlichting en voldoening voor zichzelf, als Hij op zijn hoogten gedaan heeft, want welke eer afgodendienaars hun afgoden ook aandoen, zij maken hen er niet meer bekwaam door om hen te helpen, of zij de "Dei majorum gentium" zijn-"Goden van de hogere orde, of minorum, van de lagere orde", zij zijn gelijk aan de schepselen van de verbeelding van mensen en het werk van mensenhanden. Het kan misschien bedoeld zijn van hun komen tot Gods heiligdom, toen zij bevonden dat zij geen hulp konden verkrijgen van hun hoogten zullen sommigen van hen tot Gods tempel te Jeruzalem gekomen zijn om daar te bidden maar tevergeefs, Hij zal hen rechtvaardig heenzenden naar de goden, die zij verkoren en gediend hebben, Richteren 10:14.
B. De algenoegzaamheid van de God van Israël, de enige ware God, om te doen wat Hij tegen hen heeft gesproken.
a. De zaak zelf was sedert lang bepaald en besloten, vers 13. Dit is het woord, dat is de zaak, dat de Heer tegen Moab gesproken heeft van toen af, dat hij begon zo hoogmoedig en onbeschaamd te zijn en Gods volk zo mishandeld heeft. Het land was reeds sedert lang ten verderve gewijd, dit was genoeg om de verzekering te geven dat het t' woord is, dat de Heer gesproken heeft, en gelijk Hij nooit herroepen zal wat Hij gesproken heeft, zo kunnen ook al de machten van hel en aarde het niet tegenspreken of er de uitvoering van verhinderen.
b. Nu werd bekend gemaakt wanneer het gedaan zou worden, de tijd was tevoren in de raad Gods bepaald, maar thans werd hij bekend gemaakt, maar nu spreekt de Heer, zeggende: "binnen drie jaren zal het geschieden", vers 14. Het komt ons niet toe om te weten, of om te willen weten, de tijden en gelegenheden, nauwkeuriger dan God het geschikt oordeelt om ons bekend te maken, maar in zoverre mogen en moeten wij er kennis van nemen. Zie hoe God Zijn wil en bedoeling trapsgewijze te kennen geeft, het licht van de goddelijke openbaring scheen al meer en meer, en zo is het ook met het licht van Gods genade in het hart.
Let ten eerste op het vonnis, dat over Moab wordt uitgesproken, de eer van Moab zal verachtelijk gemaakt worden, zij zal verachtelijk zijn als al de dingen, waarin zij geroemd hebben, tenietgaan. Zodanig is de heerlijkheid van deze wereld, zo verwelkend en onzeker, voor een tijdje bewonderd, maar spoedig veronachtzaamd. Laat dus datgene, hetwelk spoedig verachtelijk zal zijn in de ogen van anderen, altijd verachtelijk zijn in onze ogen in vergelijking met het geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid. Het was de eer van Moab dat hun land zeer volkrijk was en dat hun krijgslieden kloekmoedig waren, maar waar is haar eer, als deze grote menigte in zekere zin weggevaagd zal zijn, sommigen door het een oordeel, anderen door een ander oordeel, en het kleine overblijfsel zeer klein en zeer zwak zijn zal, niet in staat om kloekmoedig te zijn onder hun leed, en nog veel minder om de vijand het hoofd te kunnen bieden? Zo laat de sterken dan niet roemen in hun kracht, noch de menigte in haar talrijkheid.
Ten tweede. De tijd, bepaald voor de voltrekking van dat vonnis. Binnen drie jaren, als de jaren van huurling, juist aan het einde van de drie jaren, want een dienstknecht, die voor een bepaalde tijd gehuurd is, houdt rekening met één dag zelfs. Laat Moab weten dat zijn verderf zeer nabij is en er zich voor bereiden. Zij worden behoorlijk gewaarschuwd, en daarmee wordt hun tijd gegeven tot bekering, indien zij daar evenals Ninevé een goed gebruik van hadden gemaakt, dan zou, naar wij reden hebben om te denken, het bedreigde oordeel voorkomen zijn.