2 Kronieken 1:1-12
I. Hier is Salomo's grote voorspoed, vers 1. Hoewel hem zijn recht betwist was, werd hij toch, daar God met hem was, "versterkt in zijn koninkrijk", zijn hart en zijn handen werden gesterkt, en zijn invloed op het volk. Gods tegenwoordigheid zal onze sterkte wezen.
II. Zijn grote vroomheid en Godsvrucht. Zijn vader was een profeet en een psalmist, hij hield zich het meest bij de ark, maar Salomo, veel in zijn Bijbel gelezen hebbende van de tabernakel, die Mozes had gebouwd, en de altaren aldaar, bewees er meer eerbied aan dan David scheen gedaan te hebben. Beiden deden wèl en geen van beide moet gelaakt worden. Laat hem, wiens ijver voornamelijk naar de ene Godsdienstige richting uitgaat, hem niet verachten, wiens ijver het meest aangewend wordt in een andere richting. Laat hen elkaar noch oordelen, noch verachten.
1. Al zijn grote mannen moesten in zover Godvruchtige mannen zijn, dat zij zich met hem moesten verenigen in de aanbidding Gods. Hij sprak tot de oversten en richteren, de vorsten en hoofden van de vaderen, om met hem naar Gibeon te gaan, vers 3.
Gezag en invloed zijn goed besteed aan hen, die ze aldus gebruiken willen voor de eer en heerlijkheid Gods en ter bevordering van de Godsdienst. Het is onze plicht om hen, op wie wij invloed hebben, te doen delen in de plechtigheid van de Godsdienst, en het is zeer wenselijk dat velen zich met ons verenigen in die plechtigheden, hoe meer hoe beter en hoe meer het op de hemel gelijkt.
Salomo begon zijn regering met dit openbare, Godvruchtige bezoek aan Gods altaar, en dat was een zeer goed teken. Magistraten zullen dan waarschijnlijk wèl handelen voor zichzelf en voor hun volk, als zij aldus bij het begin van hun loopbaan en hun werk God medenemen.
2. Hij offerde aldaar zeer vele offers aan God, vers 6, duizend brandoffers, en misschien nog een groter aantal dankoffers, waarvan hij en zijn gezelschap maaltijd hielden voor het aangezicht des Heeren. Waar God overvloedig zaait, verwacht Hij dienovereenkomstig te oogsten.
Zijn vader David had hem overvloed van runderen en schapen nagelaten, 1 Kronieken 27:29, 31, en zo gaf Hij Gode wat Hem er uit toekwam.
De ark was te Jeruzalem, vers 4 maar het altaar was te Gibeon, vers 5, en daar bracht hij zijn offeranden, want het altaar heiligt de gave.
3. Hij zond een goed gebed op tot God, dat gebed met de verhoring ervan hadden wij tevoren in 1 Koningen 3:5 en verder.
A. God zei hem te vragen wat hij wilde niet alleen om hem op de rechte weg te stellen om de gunsten te verkrijgen, die voor hem waren weggelegd (bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij) maar ook om hem te beproeven en te zien wat in zijn hart was.
Het karakter van de mensen komt uit in hun keuze en hun begeerte. Wat zoudt gij willen hebben? stelt een mens evenzeer op de proef als: Wat zoudt gij doen? Aldus heeft God Salomo op de proef gesteld om te zien of hij een van de kinderen was van deze wereld, die zeggen: Wie zal ons het goede doen zien, of van de kinderen des lichts, die zeggen: Heere, verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns. Naar onze keus is zullen wij ontvangen, en datgene, waaraan wij de voorkeur geven, zal waarschijnlijk ons deel zijn, hetzij rijkdom of genot van deze wereld of geestelijke schatten en genietingen.
B. Als een echte zoon van David gaf hij aan geestelijke zegeningen de voorkeur boven tijdelijke zegeningen. Zijn bede is: Geef mij wijsheid en wetenschap. Hij erkent dat dit begeerlijke gaven zijn, en dat God de gever ervan is, Spreuken 2:6. Op twee dingen wordt hier gepleit, die wij niet in 1 Koningen hebben gehad.
a. "Gij hebt mij koning gemaakt in mijns vaders plaats", vers 8.
"Heere, Gij hebt mij op de plaats mijns vaders gesteld, en daarom kan ik in het geloof U om genade vragen om mij bekwaam te maken voor de plicht ervan." Als wij reden hebben om te geloven dat God ons roept tot een dienst, dan hebben wij ook reden om te hopen dat Hij er ons bekwaam toe zal maken. Maar dat is nog niet alles.
"Heere, Gij hebt mij in deze plaats van David gesteld, van die groten en Godvruchtigen man, die haar zo uitnemend vervuld heeft, geef mij dan nu wijsheid, opdat Israël geen schade lijde door die verandering. Moet ik regeren in de plaats van mijn vader? Heere, geef mij dan de geest mijns vaders."
De uitnemendheid van hen, die ons zijn voorgegaan, en de verplichting, die op ons rust om het goede werk, dat zij begonnen hebben, voort te zetten, moeten ons aansporen tot een Godvruchtigen wedijver en ons gebed tot God verlevendigen om wijsheid en genade dat wij in onze dag het werk Gods even goed en getrouw doen, als zij het in hun tijd gedaan hebben.
b. "Laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David", vers 9.
Hij bedoelt de belofte nopens zijn opvolger: "Heere geef mij, ter vervulling van dat woord wijsheid". Wij bevinden niet dat wijsheid onder de dingen was, die beloofd waren, maar ter vervulling van wat beloofd was, was zij nodig, 2 Samuël 7:13-15.
De belofte was: Hij zal Mijn naam een huis bouwen, Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen, hij zal Mij zijn tot een zoon en Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken.
"Welnu Heere, tenzij Gij mij wijsheid geeft, zal Uw huls niet gebouwd worden en zal de stoel mijns koninkrijks niet worden bevestigd, ik zal mij gedragen op een wijze, die niet betaamt aan mijn betrekking tot U als Vader, Uwe genade verbeuren, en daarom, Heere, geef mij wijsheid."
Gods beloften zijn onze beste pleitgronden in het gebed: "Gedenk des woords tot Uwen knecht gesproken". Kinderen kunnen troost smaken door de beloften van het verbond, waarop hun ouders aanspraak voor hen maakten in hun doop. Het beste middel om de weldaad van de beloften te ontvangen en de voorrechten van het verbond, is: vurig te zijn in het gebed tot God om wijsheid en genade om er de plichten van te vervullen.
4. Zijn gebed werd genadiglijk verhoord, vers 11, 12.
a. God gaf hem de wijsheid, om welke hij gevraagd had, omdat hij er om gevraagd had.
Wijsheid is een gave, die God even vrijelijk en mildelijk geeft als ieder andere gave, aan hen die haar waarderen en er om worstelen en besloten zijn er gebruik van te maken, en Hij verwijt de armen bidders hun dwaasheid niet, Jakobus 1:5. Gods genade zal hun nooit ontbreken, die in oprechtheid begeren hun plicht te kennen en te doen.
b. God gaf hem de rijkdom en de eer, waar hij niet om had gevraagd. Zij, die de tegenwoordige dingen het ijverigst najagen, zullen ze zeer waarschijnlijk niet verkrijgen, terwijl zij, die zich aan Gods voorzienigheid toevertrouwen, indien zij de meesten van die dingen al niet verkrijgen, er toch de meeste lieflijkheid van hebben.
Zij, wier doeleinde deze wereld is, zullen de andere wereld niet bereiken en in deze wereld nog teleurgesteld worden, maar zij, wier doeleinde de andere wereld is, zullen haar niet alleen verkrijgen en er volle voldoening in smaken, maar nog van deze wereld zoveel als gerieflijk en goed voor hen is ontvangen.