Jeremia 37:11-21
Hierin treffen we nog meer bijzonderheden betreffende Jeremia aan, die meer van zichzelf verhaalt dan enig ander profeet, want evenals hun prediking en geschriften zijn ook hun levensbeschrijvingen de kerk zeer tot nut.
I. Hier wordt ons verhaald, dat Jeremia toen hij gelegenheid vond, Jeruzalem wilde verlaten om naar het land van Benjamin te gaan, vers 11, 12. Als het heir van de Chaldeën van Jeruzalem was opgetogen vanwege Farao's heir, dat tegen hen optrok, naar zij hadden vernomen, besloot Jeremia, de stad uit te gaan, om (zoals de kanttekening zegt) van Jeruzalem te ontglippen, zachtjes weg gaan, onder de menigte van het volk, die nu naar hun woonplaats, ten gevolge van het aftrekken van de Babyloniërs, weerkeerde om haar zaken te regelen. Hij trachtte weg te sluipen tussen de menigte in, want hij was bereid zich in de menigte te verliezen en levend begraven te zijn in een hoek of hut, hoewel hij één uit de duizend was, hij kon `t heel best verdragen, als men hem niet telde, hoewel hij een man van grote gaven was. Of hij van plan was naar Anathoth te gaan of niet, blijkt niet, zijn belangen mochten hem daarheen roepen, maar zeker niet de mensen uit zijn omgeving daar, die zouden hem veeleer afschrikken er heen te gaan (tenzij zij in hun voordeel veranderd waren, na wa0t ervan hen vermeld staat in Hoofdstuk 11:21.) Misschien ook wilde hij zich ergens, waar men hem niet kende, schuil houden en aan zijn eigen wens gehoor geven, Hoofdstuk 9:2. Och dat ik in de woestijn een herberg van de wandelaars had! Jeremia meende, dat hij in Jeruzalem geen goed kon doen, hij werkte tevergeefs onder `t volk en besloot daarom het te laten.
Merk op: Daar zijn tijden, dat het wijs is, zich in stilte terug te trekken, "in de binnenste kamers te gaan en de deuren na zich toe te sluiten," Jesaja 26:20.
II. Dat hij, toen hij trachtte te ontvluchten, werd gegrepen en naar de gevangenis gebracht beschuldigd een overloper te zijn, vers 13-15. Hij was in de poort van Benjamin, zover had hij zijn doel reeds bereikt, toen een wachtmeester, die waarschijnlijk deze poort moest bewaken, hem ontdekte en hem in gevangenschap nam. Dit was de kleinzoon van Hananja, volgens de Joden de valse profeet, die met Jeremia twistte, Hoofdstuk 28:10, en zij voegen er aan toe, dat deze jonge wachtmeester een wrok daarover tegen Jeremia koesterde. Hij kon hem niet arresteren zonder enig voorwendsel, en wet hij hem nu ten laste legt is dit: "Gij wilt tot de Chaldeën overlopen", een onwaarschijnlijk iets, want de Chaldeën waren nu weg, Jeremia kon ze niet bereiken, en indien al, wie zou overlopen tot een teleurgesteld leger? Daarom ontkent Jeremia rond, maar vriendelijk, zoals een onschuldig man spreken kan, terecht hetgeen hem ten laste wordt gelegd: "Het is vals, ik wil niet naar de Chaldeën overlopen ik ga om mijn eigen wettige redenen." Let er op, dat het niets nieuws is voor de beste vrienden van de kerk, dat ze voorgesteld worden te handelen in `t belang van haar ergste vijanden. Aldus heeft men de schoonste, edelste karakters zwart gemaakt, en in deze boze wereld is onschuld, ja zelfs uitnemendheid geen schild tegen lage lastertaal. Als wij te eniger tijd vals beschuldigd worden, moeten we doen zoals Jeremia deed, vrijmoedig de beschuldiging tegenspreken en dan onze zaak Hem overgeven, die rechtvaardiglijk oordeelt. Met Jeremia's plechtige verklaring van onschuld wordt geen rekening gehouden, hoewel hij een profeet is, een man Gods, een man van eer en getrouwheid, hoewel hij een priester is en bereid is het in zijn kwaliteit van priester (in verbo sacerdotis) te verklaren. Doch men bracht hem voor een bijzondere raad, die zonder hem te ondervragen en de bezwaren tegen hem te onderzoeken, maar op de lage aantijging van de wachtmeester, zeer toornig op hem werd: "zij werden zeer toornig." Wat kon men voor rechtvaardigheid verwachten van mensen, die in toorn ontstoken, maar geen rede wilden horen? Zij "sloegen hem, zonder enig ontzag verschuldigd aan zijn kleed en persoon, en sloot hem op in het gevangenhuis," in de ellendigste kerker, die zij hadden, namelijk die "in het huis van Jonathan, de schrijver". Nu was dit of zijn woonplaats geweest, dat hij verlaten had om zijn ongeriefelijkheid, maar dat toch nog goed genoeg voor een gevangenis werd beschouwd, of hij woonde er toen in, en mogelijk was hij een hard en streng man, waardoor zijn gevangenen in zijn huis een wrede gevangenschap moesten verduren. In deze gevangenis werd Jeremia geworpen, "in dat gevangenhuis," zo donker en koud, zo vochtig en vuil en dan nog wel in de somberste, ongezondste plaats ervan. In de cellen of in de plaatsen des kuils, waartussen weinig onderscheid is, want zij zijn alle even ellendige verblijfplaatsen, daar moest hij verblijven. "Aldaar heeft hij vele dagen gezeten," en voor zover het blijkt, kwam niemand bij hem of informeerde naar hem. Merk nu eens op, hoe het in deze wereld toegaat. Zondige vorsten, die tegen God rebelleren, zitten rustig, in staatsie in hun paleizen, terwijl de godzalige Jeremia, die in Gods dienst staat, in smart in een afschuwelijken kerker zit. Het is goed, dat er een hiernamaals komt.
III. Dat Zedekia tenslotte om hem zendt en hem enige gunst betoont, doch waarschijnlijk was dit niet voordat het leger van de Chaldeën teruggekeerd was en opnieuw het beleg om de stad geslagen had. Toen hun ijdele hoop, waarmee zij zichzelf gevoed hadden (en waarop zij zo vertrouwd hadden, dat ze hun knechten weer tot slavernij hadden teruggebracht, Hoofdstuk 34:1, geheel vervlogen was, waren zij in groter ontsteltenis en beroering dan ooit tevoren. "O", zegt Zedekia, "zend toch in alle haast om de profeet, ik wil een onderhoud met hem hebben." Toen de Chaldeën teruggetrokken waren, zond hij slechts naar de profeet om voor hem te bidden, maar nu ze weer voor de stad verschenen waren, zond hij naar hem om hem te raadplegen. Zo minzaam plegen de mensen te worden, als ze in de angst zitten.
1. De koning zond om hem, om met hem een geheim onderhoud te hebben, als gezant Gods. Hij vroeg hem in zijn huis, in het verborgen, daar hij beschaamd was in zijn gezelschap te worden gezien. "Is er ook een woord van de Heere? vers 17, enig woord van troost? Kunt gij ons enige hoop geven, dat de Chaldeën weer zullen wegtrekken?" Let er op, dezulken, die in hun voorspoed niet naar Gods vermaningen willen horen, zouden in hun tegenspoed blij zijn met Zijn bemoedigingen en verwachten dat Zijn dienaren dan woorden van vrede tot hen zullen spreken. Maar hoe kunnen ze dat nu verwachten? Wat hebben zij met vrede uit te staan? Jeremia's leven en vrijheid zijn in Zedekia's hand en nu zou hij hem wel om zijn gunst kunnen vragen en toch, ondanks deze schone gelegenheid, zegt hij hem eenvoudig dat "daar is een woord van de Heere," maar `t is geen troostwoord voor hem of zijn volk. "Gij zult in de hand des konings van Babel gegeven worden." Had Jeremia met vlees en bloed geraadpleegd, dan zou hij hem een antwoord gegeven hebben, dat aangenaam in zijn oren moest geklonken hebben, en zonder hem nu juist voor te liegen, zou hij toch hebben kunnen overleggen of hij hem nu al `t ergste zou meedelen, wat voor reden was er nu voor om de volle waarheid te zeggen, hij had die immers al zo dikwijls tevoren tot hem gezegd? Maar Jeremia was zodanig een, die "van de Heere genade had ontvangen om getrouw te zijn," en wilde niet, om de gunst van een mens te verwerven, ontrouw worden noch aan zijn God noch aan zijn vorst, daarom zegt hij hem de waarheid, de volle waarheid. Daar er niets aan te veranderen viel, was het voor de koning het aangenaamst zijn vonnis te weten, en daar het hem dan niet meer overvallen kon, zou de schrik minder zijn en kon hij alles in zijn macht nog aanwenden om het kwade zo onschadelijk mogelijk te maken. Jeremia grijpt deze gelegenheid aan om hem en zijn volk te berispen over het dwaze van aan de valse profeten hun vertrouwen te hebben geschonken die hun vertelden dat de koning van Babel, in `t geheel niet komen zou, en toen hij teruggetrokken was, niet tegen ulieden, noch tegen dit land komen zou, vers 19. "Waar zijn nu ulieder profeten die u zeiden, dat ge vrede hebben zoudt?"
Merk op: Zij, die zichzelf bedriegen met zonder grond op genade te hopen, zullen terecht berispt worden over hun dwaasheid als de uitkomst ze heeft ontnuchterd.
2. Hij maakte van deze gelegenheid gebruik om voor zichzelf, als arme gevangene, een verzoek in zijn eigen belang te doen, vers 18 en 20. Het was niet in Jeremia's macht het vonnis dat God over Zedekia had uitgesproken, te keren, maar `t was wel in Zedekia's macht, het vonnis door de vorsten over Jeremia geveld, te vernietigen, en dus, nu hij hem als profeet waardig keurde om zijn diensten te bewijzen, zou hij `t zeker ook verre van geschikt oordelen, dat Jeremia even ruw behandeld werd als de grootste misdadiger. Hij onderhoudt de koning ernstig, doch bescheiden en zegt: "Wat heb ik tegen u of tegen uw knechten of tegen dit volk gezondigd," welke wet heb ik overtreden, welke schade heb ik aan `t algemeen welzijn toegebracht, "dat gijlieden mij in het gevangenhuis gesteld hebt?" En menigeen, die zeer slecht behandeld werd, is in de gelegenheid geweest eenzelfde verzoek te doen en met succes. Hij verzoekt het ook zeer ernstig en zeer treffend, vers 20. Breng mij niet weer naar gindse walgelijke gevangenis, in het huis van Jonathan de schrijver, opdat ik aldaar niet sterve. Dit was de taal van een onschuldige, gevoelig voor zijn smart en begerig naar `t behoud zijns levens. Hoewel hij in `t geheel niet onwillig was als martelaar voor Gods zaak te sterven, toch wilde hij de zo schone gelegenheid om vrij te komen, niet laten voorbijgaan, opdat hij niet de schuld van zijn eigen dood zou worden. Toen Jeremia Gods boodschap overbracht, sprak hij als iemand van autoriteit, met de grootste kloekheid, maar nu hij zijn eigen zaak voordraagt, spreekt hij als een onderdanige, met de grootste onderworpenheid: "Nu dan, hoor toch, o mijn heer Koning! laat toch mijn smeking voor uw aangezicht nedervallen." Hier treft men geen enkel woord van aanklacht aan tegen de vorsten, die hem onrechtvaardig weg hadden doen brengen naar `t gevangenhuis, geen verzoek om rechtsvervolging ter oorzake van `t onrechtvaardig vonnis, maar hij zegt alles bescheiden en smeekt de koning om vrijheid. Dit staat ons vermeld om ons te leren, dat zelfs wanneer wij handelen met de moed, die de getrouwen dienaren van God past, we toch ons gedragen moeten met de nederigheid en bescheidenheid, die gehoorzame onderdanen aan de regering, die God boven ons geplaatst heeft, verschuldigd zijn. Een leeuw waar `t God geldt, en een lam moeten we zijn, als `t ons zelf aangaat. En nu zien we, dat God Jeremia genade gaf in de ogen des konings.
a. Hij willigde zijn verzoek in, zorgde er voor dat hij niet in de kerker zou omkomen en beval daarom, dat hij de vrijheid van "het voorhof van de bewaring zou hebben, waar hij eens aangenaam kon wandelen en een fris luchtje scheppen."
b. Hij gaf hem meer dan hij vroeg, zorgde er voor, dat hij niet stierf door gebrek aan voedsel, zoals velen, die hun vrijheid hadden, vanwege de nauwe insluiting van `t beleg. Hij beval, dat men hem geven zou "een bol brood per dag uit de algemene voorraad (want de gevangenis lag op `t grondgebied van het paleis), totdat al het brood van de stad op was." Zedekia had hem zijn vrijheid moeten teruggegeven hebben, ja, moest hem zelfs tot zijn bijzondere raadsman hebben verkozen, zoals Jozef uit zijn gevangenschap werd bevrijd om de tweede heerser in het koninkrijk te worden. Maar hij had de moed niet daartoe, het was al mooi, dat hij deed zoals hij gedaan had, en wij vinden hier een voorbeeld in van Gods zorg voor Zijn lijdende dienstknechten, die hem getrouw zijn. Hij kan gevangenschap zelfs profijtelijk voor hen maken en het voorhof van de bewaring voor hen maken tot groene weiden en hun zulke zorgzame vrienden verwekken, dat zij "in de dagen van honger zullen verzadigd worden. Om het verderf en de honger zult gij lachen."