Jeremia 2:20-28
In deze verzen gaat de profeet voort met zijn beschuldigingen tegen het afgedwaalde volk.
Merk op
I. De zonde zelf, waarover hij hen beschuldigt, afgoderij, de grote overtreding, waaraan zij voornamelijk schuldig stonden.
1. Zij bezochten de plaatsen waar de afgoden aangebeden werden, vers 20. Op alle hoge heuvels en onder elke groene boom, op de hoge plaatsen en in de bossen, waarvoor de heidenen een dwaze voorliefde en verering koesterden. Gij loopt om, gij wandelt, van de ene plaats naar de andere, onbestemd, onrustig, onvoldaan, maar overal hoererende, de valse goden aanbiddende, hetwelk is geestelijke hoererij, en gewoonlijk vergezeld ging van lichamelijke onzedelijkheid. Zij die God verlaten lopen eindeloos rond, en zwervende begeerte is onverzadigbaar.
2. Zij maakten zelf hun afgodische beelden en brachten die goddelijke eer, vers 26, 27, niet alleen het gewone volk, maar zelfs de koningen en vorsten, die het volk hadden moeten terughouden van zo verkeerd te handelen, en de priesters en profeten, die het hadden moeten onderwijzen om goed te doen, die waren zelf zo schandelijk dwaas en dom, en zo onder de macht van een begoocheling dat zij tot een hout zeiden: Gij zijt mijn vader, en tot een steen, tot een afgod die uit een steen gebeiteld was: gij hebt mij gegenereerd of voortgebracht, Gij zijt mijn vader, dat is, gij zijt mijn god, de oorsprong van mijn bestaan, aan u ben ik alles verplicht, van u ben ik volstrekt afhankelijk, gij hebt mij gegenereerd, dus bescherm mij, voorzie mij van het nodige, geleid mij. Welke grotere belediging kunnen mensen God aandoen, die onze Vader is en ons gemaakt heeft? Het was rechtstreekse ontkenning van onze verplichting aan Hem. En welke grotere belediging kunnen mensen zichzelf en hun eigen verstand aandoen, dan het aannemen en geloven van ongerijmdheid en onmogelijkheid, en door een hout en een steen hun ouders te maken, zichzelf tot houten en stenen te verlagen. Toen deze eerst tot voorwerpen van aanbidding verheven werden, veronderstelde men dat ze bezield waren door een of andere hemelse macht of geest, maar gaandeweg had men dat denkbeeld verloren en werden de afgodendienaars zo verijdeld in hun overleggingen, dat zelfs de vorsten en de priesters meenden dat het afgodsbeeld, ofschoon van hout of steen gemaakt, zelf hun vader was en als zodanig aangebeden werd.
3. Zij vermenigvuldigden deze drekgoden tot in het oneindige, vers 28. Naar het getal uwer steden zijn uw goden o Juda! Toen zij God verlaten hadden, die de enige en algenoegzame is:
a. Waren zij niet voldaan met de goden, die zij voor Hem in plaats hadden, maar begeerden er telkens meer. De afgoderij is in dit opzicht van dezelfde natuur als de hebzucht, die geestelijke afgoderij is, want hoe meer de mensen hebben des te meer willen zij hebben, hetgeen een duidelijk bewijs is dat de mensen afgoden maken van hetgeen zij zelf onvoldoende en ongenoegzaam achten, en hetgeen hen, die daartoe gaan, niet bevredigen kan.
b. Zij konden het niet eens worden over de verering van dezelfde god. Nadat zij het middelpunt van eenheid verlaten hadden, vervielen zij in eindeloze verdeeldheid, de ene stad bedacht die afgod en de andere stad dezen, en elke plaats was er vooral op gesteld om haar eigen god te hebben, die meer bepaald voor haar zorgdragen moest. Zo zochten zij tevergeefs in de veelheid van Goden hetgeen slechts in de éne God te vinden is.
II. Het bewijs daarvoor. Er waren geen getuigen nodig, want de feiten waren onweersprekelijk.
1. Zij waren geneigd het te ontkennen en voor zichzelf: Niet schuldig! te pleiten. Zij gaven voor dat zij zich van deze smet wensten te zuiveren, zij wiesen zich met salpeter en namen veel zeep daartoe, zij boden zeer veel verontschuldigingen en ophelderingen aan, vers 22. Zij beweerden dat zij die poppen niet aanbaden als goden, maar vereerden als demonen, als middelaars tussen de onsterflijke God en de sterfelijke mens, en dat zij hun geen goddelijke eer bewezen, maar alleen als hogere machten eerbiedigden, en daardoor trachtten zij de overtuiging door Gods Woord te ontwijken en zich te verzekeren tegen de vrees voor zijn toorn. Ja, sommigen hunner hadden de vermetelheid de gehele zaak te ontkennen en te zeggen: "Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld," vers 23. Omdat het in het geheim was en zorgvuldig verborgen gehouden werd, Ezechiël 8:12, meenden zij dat het nooit tegen hen bewezen zou kunnen worden en waren zij onbeschaamd genoeg om het te ontkennen. Hierin, gelijk in andere dingen was hun weg als die van "de overspelige vrouw, die eet en haar mond afwist en zegt: Ik heb geen kwaad gedaan" Spreuken 30:20.
2. Niettegenstaande al hun uitvluchten zijn zij op de daad betrapt en schuldig bevonden. Hoe kunt gij het feit ontkennen en zeggen, wij hebben de Baäls niet nagewandeld? Hoe kunt gij uw overtreding loochenen en zeggen: Ik heb mij niet verontreinigd? De profeet spreekt met verbazing over zoveel onbeschaamdheid. Hoe kunt gij zo iets volhouden met opgeheven gelaat, terwijl het bewezen is.
a. Godsalwetendheid is een getuige tegen hen. Uw ongerechtigheid is voor Mijn aangezicht getekend, zegt de Heere Heere, die is opgelegd en weggeborgen, op de dag des oordeels wordt die tevoorschijn gebracht, "Zij wordt bewaard als een schat," Deuteronomium 32:34, Job 21:19, Hosea 13:12. Zij is diep ingedrukt en getekend voor mij, zo lezen sommigen het. Ofschoon gij poogt haar weg te wissen, zoals de moordenaar tracht het bloed van de door hem verslagene van zijn kleren af te wassen, het zal u nooit gelukken. Gods oog is er op en wij weten dat Zijn oordeel naar waarheid is.
b. Hun eigen geweten is een getuige tegen hen. Zie uw weg in het dal, zij hadden de afgoden aangebeden niet alleen op de hoge heuvelen, maar ook in de dalen, Jesaja 57:5, 6. Sommigen lezen hier: In het dal tegenover Baäl Peor, Deuteronomium 34:6, Numeri 25:3, waar zij Baäl aanbaden. De profeet zou hier dan terugzien naar de ongerechtigheid van Baäl Peor. Maar indien er enig bepaald dal bedoeld wordt, dan is het veeleer de vallei van de zoon van Hinnom, want die was de plaats waar zij hun kinderen de Moloch offerden, en die dus meer dan enige andere tegen hen getuigde. Zie uw weg in het dal en ken wat gij gedaan hebt.
III. De verzwaringen van de zonde, waarvan zij beschuldigd worden, en die haar buitengewoon zondig maakten.
1. God heeft grote dingen voor hen gedaan, en toch zijn zij tegen Hem in opstand gekomen, vers 20. "Van ouds heb ik uw juk verbroken en uw banden verscheurd." Dit ziet op hun uitleiding uit Egypte, "uit het huis van de dienstbaarheid," waaraan zij niet wilden gedenken, vers 6, maar God dacht er aan, want toen Hij hun gebood geen andere geboden voor Zijn aangezicht te hebben, noemde Hij dit als reden: Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, heb uitgeleid. De banden in dat land had God verscheurd, en daardoor behoorden zij voor goed aan Hem verbonden te zijn, maar zij hadden ondankbaar de banden des plichts verbroken, waardoor zij verbonden waren aan de God, die hen uit de slavernij verlost had.
2. Zij hadden schone beloften gedaan, maar ze niet gehouden. Gij zei: ik zal niet overtreden. Toen uw verlossing nog nieuw was, waart gij zo gevoelig voor die genade dat gij gaarne de meest verbindende bepalingen op u naams om altijd uw God getrouw te blijven en Hem nooit te verlaten. Toen zeiden zij: "Neen, maar wij zullen de Heere dienen," Jozua 24:21. Hoe dikwijls hebben wij gezegd dat wij niet zouden afwijken, dat wij God niet meer zouden beledigen, en toch zijn wij afgeweken gelijk een bedrieglijke boog, en herhaalden en vermenigvuldigden onze overtredingen!
3. Zij waren schandelijk ontaard van hetgeen zij waren toen God hen eerst tot een volk geformeerd had, vers 21. Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok. De inrichting van hun staat, zowel kerkelijk als maatschappelijk, was uitnemend, hun wetten waren rechtvaardig en al de inzettingen zeer leerzaam en veelbetekenend, en er was een geslacht van Godvrezenden in hun midden toen zij zich in Kanaän vestigden. "Israël diende de Heere," en hield zich dicht aan Hem, "al de dagen van Jozua en de oudsten die Jozua overleefden," Jozua 24:31. Zij waren toen een geheel getrouw zaad, ogenschijnlijk geschikt om de wijngaard, waarin zij geplant waren, te vervullen met uitgelezen wijnstokken. Maar het kwam anders uit, reeds het volgende geslacht "kende niet de Heere en de werken die Hij gedaan had," Richteren 2:10, en zo gingen zij van kwaad tot erger totdat zij eindelijk veranderd waren in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok. Zij waren nu het tegenovergestelde van hetgeen zij eerst geweest waren. Hun staat was verbroken, en er was in hen niets van het goede, dat verwacht kon worden van een volk dat zo gunstig gevormd was. niets van de reinheid en de godsvrucht van hun voorouders. "Hun wijnstok was nu een wijnstok van Sodom," Deuteronomium 32:32. Dit kan goed toegepast worden op de natuur des mensen, die door haar grote Schepper geplant was als een edele wijnstok en een geheel trouw zaad (God maakte de mens goed), maar zij is zo algemeen verdorven dat zij geworden is tot een verbasterden rank van een vreemden wijnstok, die gal en bedorven vruchten voortbrengt, en daardoor is zij voor God in de hoogste mate walgelijk en beledigend.
4. Zij waren ijverig en vurig in het bedrijven van hun afgoderijen, verknocht aan hun afgoden, kregen gaarne nieuwe, en wilden er niet afgetrokken worden door het Woord van God of door Zijn voorzienigheid, zo sterk was de drijfveer, die hen naar deze zonde joeg. Zij worden hier vergeleken bij een lichte snelle kameel die haar wegen verdraait, een wijfje van die diersoort, dat de mannetjes naloopt, vers 23, en in dezelfde zin, niet een woudezelin, gewend in de woestijn, vers 24, niet getemd tot de arbeid en daarom zeer beweeglijk, die de wind naar de lust harer ziel schept, wanneer zij in de nabijheid van de ezel komt, en bij zo'n gelegenheid kan niemand haar ontmoeting afkeren. Niemand kan haar van het opvolgen harer lusten terughouden. Allen die haar zoeken zullen niet moede worden, zij zullen niet lang behoeven te zoeken. Brandende lust is een vreeslijk ding, en zij die er niet door genade en door hun eigen rede van teruggehouden worden en hun geweten en hun eer geen gehoor geven, worden gelijk gesteld met wilde beesten en niet hoger, zij zijn als de wilde ezels, en kunnen nauwelijks als redelijke schepselen beschouwd worden.
Afgodendienst is in hoge mate bedwelmend, en zij die er door bevangen worden, kunnen er slechts met de grootste moeite van genezen worden. De neiging is sterker dan enige andere. Sommigen zijn zo hardnekkig gesteld tot het inwilligen van die begeerte, dat het vergeefse moeite is hen te willen tegenhouden of verhinderen, die dat doen vermoeien zich zonder nut. Efraïm is vergezelschapt met de afgoden, laat hem varen! De tijd zal komen dat de wildste zal getemd en de onhandelbaarste handelbaar zal gemaakt worden, wanneer droefheid en angst hen overvallen, dan zullen hun oren zich tot de tucht neigen, dat is de tijd, waarin zij gevonden kunnen worden, Psalm 141:5,6.
5. Zij waren zeer hardnekkig in hun zonden, en daar zij niet tegengehouden konden worden, konden zij ook niet bekeerd worden, vers 25. Zie hier:
A. Ronduit waarschuwing gegeven aan hen, van de verwoesting welke deze verkeerde levensgang zeker ten laatste over hen brengen zou, met de vermaning om derhalve daarin niet voort te gaan, maar er mee te breken. Die zou hen zeker brengen in een ellendige gevangenschap, dan zou hun voet ontschoeid worden en zij zouden gedwongen worden barrevoets te reizen, dan zou hun rein drinkwater door hun verdrukkers geweigerd worden, zodat hun keel van dorst verschroeid zou worden, dat zou het einde ervan zijn. Zij die vreemde goden en vreemde wijzen van aanbidding liefhebben, zullen de gevangenen van een vreemde koning in een vreemd land worden. Denk er dus bijtijds om, uw achternalopen van de afgoden zal u de schoenen van de voeten slijten, en uw roepen achter hen zal uw keel verschroeien van dorst, houd dus uw voet terug van deze geweldige pogingen en uw keel van die brandende begeerten. Men zou denken dat dit genoeg zou zijn om iemand staande te houden op de weg van de zonden, als hij bedenkt wet er het einde van zijn zal.
B. Zij verwerpen deze waarschuwing. Zij zeiden tot hen, die hen wilden overhalen tot berouw en bekering: Het is buiten hoop! Verwacht niet dat gij invloed op ons hebben zult of ons kunt overhalen om onze afgoden weg te werpen, want wij hebben de vreemden lief en die zullen wij nawandelen. Wij zijn daartoe vast besloten, vermoeit ons dus niet met uw vermaningen, die toch geen doel treffen zullen. Er bestaat geen hoop dat wij ooit zullen breken met de bedorven gewoonten en de slechte toestand, die wij gekozen hebben, en daarom blijven wij ons er aan onderwerpen en de overheersing aannemen. Zij zijn waarlijk ongelukkig, die zichzelf zover gebracht hebben, dat hun gebreken de overhand behouden over hun overtuiging, zij weten dat zij zich bekeren moeten, maar erkennen dat zij niet kunnen en besluiten daarom het niet te doen. Maar gelijk wij nooit mogen wanhopen aan de barmhartigheid Gods, doch geloven dat die voldoende is voor de vergeving van onze zonden, al zijn die nog zo zwaar. Zo mogen wij ook nooit wanhopen aan de genade Gods, maar moeten geloven dat die machtig is om al ons bederf weg te nemen, al is dat nog zo zwaar, indien wij er om bidden en deze genade toepassen. Iemand mag nooit zeggen: Het is hopeloos! zolang hij nog niet in de plaats des verderfs is.
6. Zij zijn zelf beschaamd over hun zonden, door vertrouwen te stellen in datgene wat hen zeker bedriegen zou ten dage hunner beproeving en door Hem te verlaten die hen zou geholpen hebben, vers 26-28. Gelijk een dief beschaamd wordt, niettegenstaande al zijn kunsten en streken om zijn diefstal te verbergen, wanneer hij gevonden wordt en ter straf wordt weggeleid. Zo zijn die van het huis Israëls beschaamd, niet met een berouwvolle schaamte over de zonde, waaraan zij schuldig staan, maar met bestraffende schaamte, over de teleurstelling welke zij in die zonde ondervonden hebben. Zij zullen beschaamd worden wanneer zij zien: a. Dat zij genoodzaakt worden te roepen tot God, die zij met verachting op zij gezet hebben. In hun voorspoed hebben zij God de rug toegekeerd en niet het aangezicht, zij hebben Hem verwaarloosd, gehandeld alsof zij Hem vergeten hadden, of deden al wat zij konden om Hem te vergeten. Zij wilden niet tot Hem opzien maar zagen een andere weg op. Zij weken van Hem zover zij konden. Maar in tijden van moeite en van kwaad vonden zij geen voldoening dan in het aanroepen van Hem, dan zeiden zij. Sta op, verlos ons! Hun vaderen hadden menigmaal die beschaming gehad, Richteren 3:9, 4:3, 10:10, en toch lieten zij zich niet bewegen om God aan te hangen, opdat zij in hun leed met meer vertrouwen tot Hem komen mochten.
b. Dat zij geen verlichting hebben door de goden, welke zij tot nog toe vereerden. Zij zullen beschaamd worden wanneer zij bemerken dat de goden, die zij gemaakt hebben hen niet helpen kunnen, en dat de God die hen gemaakt heeft, hen niet helpen wil. Om hen tot deze schaamte te brengen, opdat zij daardoor tot berouw mochten gebracht worden, zien zij zich thans gezonden "tot de goden, die zij gediend hebben," Richteren 10:14. Zij riepen tot God: Sta op, verlos ons! God zei van de afgoden: Laat die opstaan en u verlossen! Gij hebt geen reden om te verwachten dat Ik het doen zal. Laat hen opstaan, indien zij kunnen van de plaatsen waar gij hen vastgehecht hebt, Iaat hen trachten, indien ze kunnen, u te verlossen. Gij zult echter beschaamd worden, wanneer gij ondervindt dat zij geen goed en geen kwaad doen kunnen, want ofschoon gij voor elke stad een god had, thans zijn de steden verbrand en zonder inwoners, vers 15. Zodanig is de dwaasheid van de zondaren, die zich vergenoegen met hetgeen zeker hun verdriet worden zal, en zich verhovaardigen op hetgeen eenmaal hun schaamte zal zijn.