Jeremia 2:14-19
De profeet, voortgaande om te tonen hoe dwaas zij waren door God te verlaten, noemt hier op welke ellende zij zodoende reeds over zich gebracht hadden, het was hun reeds duur te staan gekomen want daaraan hadden zij al de onheilen te wijten waaronder hun land nu leed, maar die slechts het begin waren van meer en groter kwaad, indien zij zich niet bekeerden. Zie hier hoeveel smart hun dwaasheid hun reeds berokkend had.
I. Hun naburen, die hun verklaarde vijanden waren, kwamen tegen hen op, en dit hadden zij aan hun zonden te wijten.
1. Zij waren slaven geworden, en hadden hun vrijheid verloren, vers 14. "Is dan Israël een knecht?" Neen: "Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene," Exodus 4:22. Zij zijn kinderen, zij zijn erfgenamen. Zij zijn van adellijke afkomst het zaad van Abraham, de vriend van God, en van Jakob, Zijn uitverkorenen. Is hij een ingeborene des huizes? Neen, hij is de zoon van de wettige vrouw, en niet van de slavin. Zij waren bestemd om te heersen, niet om te dienen. Alles in hun gehele inrichting droeg het stempel van vrijheid en eer. Waarom is hij dan van zijn vrijheid beroofd geworden? Waarom wordt hij gebruikt als een slaaf, een ingeborene des huizes? Omdat hij zichzelf tot slaaf van zijn lusten gemaakt heeft en tot slaaf van zijn afgoden, die hun geen nut doen, vers 11. Welk een ding is dit, dat zo'n geboorterecht voor een maal linzensoep verkocht wordt, zo'n kroon onteerd en in het stof geworpen is? Waarom is hij tot slaaf van zijn verdrukker gemaakt? God had er in voorzien dat een Hebreeuwse slaaf in het zevende jaar zijn vrijheid herkrijgen zou en dat hun "slaven zouden zijn uit de volken en niet uit hun broederen," Leviticus 25:44, 46. Maar desniettegenstaande maakten de vorsten hun onderdanen tot slaven, en de meesters maakten hun ondergeschikten tot slaven (Hoofdstuk 34:1 en zo maakten zij hun land gering en ellendig, dat God gelukkig en eervol gemaakt had. De naburige vorsten en machten vielen in het land en maakten enigen van hen tot slaven zelfs in hun eigen land, en verkochten anderen naar vreemde landen. En hoe kwam het dat zij dus hun vrijheid verloren? "Om hun ongerechtigheden waren zij verkocht," Jesaja 50:1. Wij kunnen dit geestelijk toepassen. Is de ziel van een mens een knecht? Is zij een ingeborene des huizes? Neen. Waarom is dan haar vrijheid weggenomen? Omdat zij zelf haar vrijheid verkocht heeft en zich slavin gemaakt van haar eigen lusten en hartstochten, hetgeen betreurenswaardig is.
2. Zij waren verarmd en hadden hun rijkdom verloren. God had hen gebracht in een land van overvloed, vers 7, maar al hun naburen hadden het tot hun prooi gemaakt, vers 15. De jonge leeuwen hebben over hem gebruld en hun stem verheven. Zij zijn een voortdurende schrik voor hen. Nu eens de ene machtige vijand, dan weer een andere, straks verscheidene in verbond met elkaar, hadden hen overvallen en over hen gezegevierd. Zij voerden hun vruchten het land uit, en maakten dat woest, en verbrandden de steden, na die eerst geplunderd te hebben, zodat die zonder inwoners bleven, hetzij omdat er geen bewoonbare huizen meer waren, hetzij omdat degenen, die er wonen moesten, gevankelijk weggevoerd waren.
3. Zij werden verongelijkt en beledigd en door iedereen geslagen, vers 16. Zelfs de kinderen van Nof en Tachfanes, verachtelijk volkje, niet beroemd om militaire kracht of moed, hadden hun de schedel afgeweid, of de kroon van hun hoofd verbroken. In al hun gevechten met hen waren deze te hard voor hen geweest, en zij waren er gewoonlijk met gebroken hoofd afgekomen. Het voornaamste gedeelte van hun land, dat het dichtst bij Jeruzalem lag, was hun ten prooi geworden. Hoe jammerlijk de toestand van Juda was in het laatste gedeelte van de regering van Manasse, lezen wij in 2 Kronieken 33:11, en waarschijnlijk had het land zich daarvan nog niet hersteld.
4. Dit alles was het gevolg van hun zonden, vers 17. Doet gij u dit niet zelf? Door hun zondige verenigingen met de volken, en vooral door hun gelijkvormigheid aan deze in hun afgodische zeden en gewoonten, hadden zij zich zelf zeer verlaagd en verachtelijk gemaakt, gelijk allen die eerst de godsdienst beleden en die naderhand verworpen hebben. Thans was er niets te zien van hetgeen bij hun vestiging, hen eervol en ontzaglijk gemaakt had, en daarom gevoelde niemand eerbied of vrees voor hen. Maar dit was niet alles, zij hadden God getergd om hen in handen hunner vijanden over te leveren, die voor hen tot een gesel te maken en hun de overwinning te geven en dus doet gij dit u zelf doordien gij de Heere uw God verlaat, doordien gij het verbond met Hem verbroken hebt en uzelf dus buiten Zijn bescherming gesteld, want verbond en bescherming gaan samen. In welke moeite wij ooit komen, wij hebben het onszelf te wijten, want wij brengen die zelf over ons hoofd door onze Godverzaking. Gij hebt de Heere uw God verlaten ten tijde als Hij u op de weg leidde. Hij leidde u naar een gelukkige vrede en veilige vestiging, en gij hebt Hem enige stappen gevolgd en daarna verlaten, en daardoor hebt gij uzelf de weg versperd.
II. Hun vijanden, die hun voorgewende vrienden waren, bedrogen hen, bedroefden hen en hielpen hen niet, en dat was ook het gevolg van hun zonden.
1. Zij deden hen tevergeefs hulp zoeken in Egypte en in Assyrië, vers 18. Wat hebt gij te doen met de weg van Egypte? Wanneer gij de nadering van enig gevaar vermoedt, spoedt gij u om hulp naar Egypte, Jesaja 30:1, 2, 31:1. "Om de wateren van Sihors, dat is de Nijl, te drinken." Gij rekent op hun menigte, en verfrist u met de schone beloften, die zij u geven. Op andere tijden zijt gij op de weg van Assur, zendende met alle haast om vandaar hulptroepen te krijgen, en om de wateren van die rivier, de Eufraat, te drinken, wat hebt gij daar te doen? Wat zult gij verkrijgen door hen te hulp te roepen? Zij zullen u tevergeefs helpen, zij zullen gebroken rietstaven voor u zijn, en hetgeen gij voor een rivier aanzaagt, zal blijken een gebroken waterbak te zijn.
2. Ook dit was het gevolg hunner zonden. Het oordeel zal onvermijdelijk komen over hen die het met hun zonden verdiend hebben, en wat helpt het dan om daartegen bescherming bij anderen te zoeken? vers 19. Uw boosheid zal u kastijden, en het is onmogelijk dat zij u zou sparen, weet dan en zie, aan de gehele zaak, dat het kwaad en bitter is, dat gij de Heere uw God verlaat, want daardoor eerst maakt gij recht uw vijanden tot vijanden en tot valse vrienden. Zie hier
a. De aard van de zonde, zij is het verlaten van de Heere als onze God, zij is het loslaten door de ziel van Hem en de afkeer van de ziel van Hem. De zonde aanhangen is God verlaten.
b. De oorzaak van de zonde: De vreze Gods is niet bij ons. Zij is het ontbreken van een goed beginsel in ons, met name het gemis van de vreze Gods, dat ligt op de bodem van onze afval van God. De mensen verzaken hun plicht jegens God omdat zij geen eerbied voor Hem koesteren en geen vrees voor zijn ongenoegen gevoelen.
c. De slechtheid van de zonde, zij is een kwaad en bitter ding. De zonde is een slecht ding, geheel slecht, een kwaad waarin niets goeds is, een kwaad dat de wortel en oorsprong is van alle ander kwaad. Zij is inderdaad kwaad, want niet alleen is zij de grootste tegenstrijdigheid tegen de Goddelijke natuur, maar ook het grootste bederf van de menselijke natuur. Zij is bitter, een zondige toestand is een gal van bitterheid, en elke zondige weg zal ten laatste bitterheid zijn, haar bezolding is de dood, en de dood is bitter.
d. De noodlottige gevolgen van de zonde, omdat zij in zichzelve kwaad en bitter is heeft zij rechtstreeks de strekking om ons ellendig te maken. Uw eigen boosheid zal u kastijden en uw afkeringen zullen u straffen, niet alleen verwoesten hiernamaals maar reeds hier kastijden en straffen. Zij zullen zeker leed over u brengen, de straf zal zo onvermijdelijk op de zonde volgen, dat het zal schijnen alsof de zonde die zelf meebrengt. Zelfs zal de straf in haar soort en omstandigheden zo rechtstreeks beantwoorden aan de zonde, dat gij uw zonde in de straf zult zien, en de rechtvaardigheid van de straf zal zo duidelijk zijn dat gij er geen woord tegen kunt inbrengen, uw eigen ongerechtigheid zal u overtuigen en voor altijd de mond stoppen, en gij zult gedwongen worden te erkennen dat de Heere rechtvaardig is.
e. Het nut en de toepassing van dit alles: Zie dus en heb berouw over uw zonden opdat de kastijding, tot uw verbetering bedoeld, niet uw verwoesting worde!