Jeremia 14:17-22
De tegenwoordige betreurenswaardige toestand van Juda en Jeruzalem wordt hier de inhoud van de klachten des profeten, vers 17, 18 en de reden van zijn gebed en tussenkomst voor hen, vers 19, en ik wil hopen, dat de laatste, zowel als het eerste op goddelijk bevel geschiedde, en dat deze woorden, vers 17 :Daarom zult gij dit woord tot hen zeggen (of aangaande hen, of, dat ze het horen) zowel op de tussenkomst slaan als op de klachten en dan komt het neer op een herroeping van de bevelen, aan de profeet gegeven, om niet voor hen te bidden, vers 11. Evenwel, uit de gebeden, die wij in deze verzen vinden, is het duidelijk, dat de profeet het niet opvatte als een verbod, maar alleen als een ontmoediging, zoals die in Johannes 1:16 :"Voor diezelve zeg ik niet, dat hij zal bidden." Hier,
I. Staat de profeet te treuren over de overblijfselen van zijn land, God beveelt hem dat te doen, opdat hij, door zichzelf getroffen te tonen, indien het mogelijk ware, hen te treffen met het vooruitzicht op de rampen, die over hen in aantocht waren. Jeremia moest het niet alleen tot zichzelf zeggen, maar ook tot hen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen, vers 17. Aldus moest hij hun duidelijk maken, dat hij met zekerheid het zwaard zag naderen en een ander soort hongersnood, nog smartelijker dan die waaronder zij nu zuchtten, deze was in het land door gebrek aan zegen, die zou in de stad zijn door de strengheid van het beleg. De profeet spreekt, alsof hij reeds de ellende zag, die de inval van de Chaldeën zou vergezellen: "De jonkvrouw van de dochter mijns volks," dat wil zeggen die mij zo dierbaar is als een dochter haar vader is gebroken met een grote breuk een plaag die zeer smartelijk is, veel groter en smartelijker dan die zij tot nu toe verdragen heeft, want, vers 18, in het veld lagen de verslagenen van het zwaard, en in de stad degenen, die stierven uit gebrek aan voedsel. Droeve taferelen.
"Zowel de profeten als de priesters, de valse profeten, die hen vleiden met hun leugens en de goddeloze priesters, die de ware profeten vervolgden, lopen om in het land, daar niemand naar hen luistert en zij als oversten des volks dubbel bevreesd zijn voor de Chaldeën en weten niet." Ze zijn radeloos, te meer, naarmate zij minder aan de toekomst gedacht hebben. De ogen van de profeet moeten "nederdalen van tranen nacht en dag," in de hoop dat het volk overtuigd mag worden, niet alleen dat deze dag van wee onfeilbaar komen zal, en inderdaad vol van wee zal zijn, maar ook, dat hij niets minder doet, dan daarnaar verlangen, en, dat hij ze even gaarne boodschappen van vrede gebracht zou hebben, als hun valse profeten, als hij maar volmacht van de hemel had gehad om dat te doen. Daar God, schoon Hij zondaars met de dood straft, er toch geen vermaak in schept, past het Zijn dienaren, schoon zij in Zijn naam de dood van de zonderen verkondigen, die toch te bejammeren.
II. Hij doet zijn best om voor hen tussenbeide te komen, want wie weet, God kan nog veranderen en berouw hebben? Zolang er leven is, is er hoop, en reden om te bidden. En hoewel er velen onder hen waren, die zelf niet baden, en de gebeden van de profeet niet waardeerden, waren er toch ook nog, die minder onverschillig waren, die zich wel met hem zouden verenigen in zijn gebeden, en er het zegel van hun amen op zetten.
1. Hij onderhoudt zich nederig met God over hun tegenwoordige betreurenswaardige toestand, vers 19. Die was zeer droevig, want
a. Hun verwachtingen van hun God feilden, zij dachten, dat Hij betuigd had, dat het Zijn Juda was, maar nu scheen het wel of Hij het ganselijk verworpen had, en weggedaan, en zijn betrekking tot Hem niet wilde erkennen noch er iets voor voelen. Zij dachten, dat Zion de beminde van zijn ziele was, zijn ruste in eeuwigheid: maar nu heeft zijn ziele een "walging aan Zion, een walging aan de diensten, die daar verricht worden, om de zonden, die daar begaan worden."
b. Dan is het ook niet te verwonderen, dat al hun andere verwachtingen feilden, "zij waren geslagen en hun wonden waren vermenigvuldigd, maar er was geen genezing." Men wacht naar vrede, omdat er gewoonlijk stilte volgt op de storm en mooi weer na een langen tijd van regen. "Maar er is niets goeds, het ging van kwaad tot erger. Men zag uit naar tijd van genezing," maar kreeg zelfs geen tijd om op adem te komen. Zie, er staat moeite voor de deur, waardoor wij hoopten de vrede te zullen zien binnenkomen. En is het dan waar? "Hebt Gij inderdaad Juda verworpen? Het zou zeker rechtvaardig zijn. Heeft Uw ziel een walging aan Zion?" Wij verdienen het. Maar wilt Gij in Uw toorn niet ten laatste aan genade denken?
2. Hij belijdt boetvaardig zijn zonden, en spreekt de taal, die zij allen moesten spreken, al deden weinigen het, vers 20 :"Wij kennen onze goddeloosheid, de overvloedige goddeloosheid van ons land en de ongerechtigheid van onze vaderen, die wij nagevolgd zijn, waarvoor wij derhalve billijk lijden. Wij weten, wij erkennen, dat wij tegen U gezondigd hebben, en daarom Gij zijt rechtvaardig in al wat over ons gebracht wordt, maar, omdat wij onze zonden belijden, hopen wij U getrouw en rechtvaardig te vinden in de vergeving van onze zonden."
3. Hij smeekt Gods ongenoegen af, en pleit gelovig op Gods eer en belofte, vers 21. Zijn smeekbede is: Versmaad ons niet, al bedroeft Gij ons, versmaad ons niet, schoon Uw hand tegen ons gekeerd is, laat toch Uw hart het niet zijn, en laat Uw geest niet van ons vervreemden. Zij erkennen, dat het rechtvaardig zou zijn, als God hen versmaadde, zij hadden zich gehaat gemaakt in Zijn ogen, en toch, als zij bidden: Versmaad ons niet, bedoelen zij: Neem ons weer in genade aan. Laat Uw ziel geen walging hebben aan Zion, vers 19. Laat onze wierook geen gruwel zijn. Zij beroepen zich,
a. Op de eer van God, op de eer van Zijn Woord, waardoor Hij zich bekend gemaakt heeft-Zijn Woord, dat Hij "vanwege Zijn gehele naam heeft groot gemaakt: Versmaad ons niet om Uws naams wille, Uw naam", waarnaar wij genoemd zijn en die wij aanroepen. Op de eer van Zijn heiligdom wordt gepleit: Heere, versmaad ons niet, want dat zal "de troon Uwer heerlijkheid onteren (den tempel, die een troon van de heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, genoemd wordt," Hoofdstuk 17:1, " maak, wat eens een vreugde van de gehele aarde" was, niet tot een aanfluiting en bespotting. Wij verdienen de schande, die ons wordt aangedaan, maar laat er niet van afstralen op U zelf, laat de verwoesting van de tempel geen aanleiding zijn voor de heidenen om Hem te honen, die daar altijd gediend is, alsof Hij die niet kon, of niet wilde beschermen, of alsof de god van de Chaldeen Hem te sterk was geweest. Goede mensen gaat het belang van de godsdienst, en zijn belijdenis in de wereld, meer ter harte dan andere of zelfs hun eigen belangen, en machtige pleidooien in `t gebed zijn het, die daaraan ontleend worden en tevens krachtige steunpilaren van het geloof. Wij mogen er zeker van zijn, dat God de troon van Zijn heerlijkheid op aarde niet zal nederwerpen, ook zal Hij de heerlijkheid van Zijn troon niet verduisteren door een beschikking zonder die weldra weer te laten schitteren, en meer dan tevoren, door een andere. Op de lange duur zal Gods eer niet te kort komen.
b. Op de belofte van God: zij zijn zo stoutmoedig, Hem dit nederig te herinneren: "Gedenk, vernietig niet Uw verbond met ons." Niet, dat zij Zijn trouw wantrouwden, of dat zij het nodig vonden, Hem aan Zijn belofte te herinneren, maar zij namen de vrijheid bij Hem aan te voeren, wat, naar Zijn eigen woorden, invloed op Hem hebben zou. "Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond," Leviticus 26:42.
4. Hij belijdt afhankelijkheid van God ten aanzien van de gunst des regens, die zij nu nodig hadden, vers 22. Indien zij hun recht hebben verbeurd op het verbond met Hem als hun God, dan willen zij Hem toch niet loslaten als de God van de natuur.
a. Zij zullen zich nooit wenden tot de afgoden van de heidenen, want dat zou dwaas en nutteloos zijn: "Zijn er onder de ijdelheden van de heidenen, die doen regenen?" Neen, in een tijd van grote droogte in Israël, in de dagen van Achab, kon Baäl hen niet helpen, hoewel heel Israël zijn gebeden tot hem opzond, alleen die God, die antwoordde door vuur, kon ook antwoorden door water.
b. Zij willen hun blik niet beperken tot tweede oorzaken, noch van de natuur alleen toevloed verwachten: "Kan de hemel druppelen geven?" Neen, niet zonder bevelen van de God des hemels, want Hij is het, die de sleutel van de wolken heeft, die de sluizen des hemels opent en de aarde bewatert uit Zijn schatkameren. Maar
c. Al hun verwachtingen zijn van Hem en hun vertrouwen op Hem: "Zijt Gij die niet, o Heere onze God? van Wien wij hulp mogen verwachten en tot Wien wij ons moeten wenden? Zijt Gij `t niet, die regen geeft, die regendruppelen doet?" "Want Gij doet alle die dingen, " Gij riept ze uit het niet, en daarom stelt Gij ze de wet en gebiedt ze, Gij maakte dat vocht in de natuur, dat in voortdurende circulatie is, om de bedoeling van de Voorzienigheid te dienen, en Gij bestuurt het, en maakt gebruik ervan zoals Gij wilt "Daarom zullen wij op U wachten, en op U alleen: wij willen van de Heere regen begeren," Zacheria 10:1. Wij willen vertrouwen, dat Hij ons die op tijd geven zal, en gewillig zijn om Zijn tijd af te wachten, wij behoren het te doen, en het zal niet tevergeefs zijn, als wij het doen. Gods soevereiniteit behoort onze aanhankelijkheid aan Hem te verzekeren, en Zijn algenoegzaamheid onze verwachtingen van Hem ten allen tijde aan te moediger.