Mattheus 9:14-17
De vitterijen tegen Christus en Zijne discipelen gaven gelegenheid tot sommigen van de nuttigste Zijner redevoeringen, zo wordt de waarheid dikwijls gediend zelfs door het tegenspreken harer vijanden, en doet de wijsheid van Christus uit het kwade het goede voortkomen. Dit is reeds het derde voorbeeld hiervan in dit hoofdstuk. Zijne rede over Zijne macht om zonde te vergeven, en Zijne bereidwilligheid om zondaars te ontvangen, was uitgelokt door de vitterij der schriftgeleerden en Farizeeën, en zo was de aanmerking op het gedrag Zijner discipelen, de aanleiding voor Hem, om een woord te spreken, waaruit Zijne tederheid jegens hen bleek. Het verwijt van Johannes' discipelen aan de discipelen van Christus, dat zij niet zo dikwijls vastten als zij, dat als nog een ander bewijs werd aangevoerd van hun slapheid van beginselen, behalve nog hun eten met tollenaren en zondaren, weshalve hun in bedenking werd gegeven, om strenger begrippen en levenswijze aan te nemen. Uit het verhaal der andere evangelisten blijkt, Markus 2:18, Lukas 5:33, dat de discipelen der Farizeeën zich bij hen hadden gevoegd, en wij hebben reden te vermoeden, dat zij dezen er toe aangespoord hadden, en de discipelen van Johannes tot hun woordvoerders maakten, omdat dit een beteren schijn zou hebben, daar de discipelen van Johannes bij Christus en Zijne discipelen meer in gunst en aanzien waren. Het is niets nieuws, dat slechte mensen kwaad bloed zetten onder goede mensen. Als er verschil van gevoelen is onder Gods volk, dan zullen arglistige mensen de gelegenheid aangrijpen, om tweedracht onder hen te zaaien, hen tegen elkaar op te zetten, hen van elkaar te vervreemden, en hen aldus tot ene gemakkelijke prooi te maken van hun eigene boze bedoelingen. Als de discipelen van Johannes en Jezus in twist geraken met elkaar, dan hebben wij reden om te vermoeden, dat de Farizeeën in het spel zijn en het vuur hebben aangeblazen. Nu luidt de klacht: "Waarom vasten wij en de Farizeeën veel, en Uwe discipelen vasten niet?" Het is te betreuren als de plichten van den Godsdienst, die tot bevestiging der onderlinge liefde moesten dienen, ene aanleiding worden tot twist en tweedracht, maar dikwijls geschiedt dit, evenals hier, waarbij wij kunnen opmerken: Hoe zij roemden op hun eigen vasten. "Wij en de Farizeeën vasten veel." Het vasten is in alle tijden en eeuwen der kerk bij bijzondere gelegenheden gebruikt en geheiligd ten nutte van den Godsdienst. De Farizeeën deden er veel aan, velen hunner vastten tweemaal per week, en toch waren zij over het algemeen veinsaards en slechte mensen. Valse en vormelijke belijders van den Godsdienst zullen in uitwendige daden van vroomheid, zelfs in zelfverloochening en doding van het vlees, anderen overtreffen. De discipelen van Johannes vastten veel, deels in navolging van de levenswijze huns meesters, want hij "is gekomen, noch etende, noch drinkende, Hoofdstuk 11:18, en de mensen zijn licht geneigd hun leiders te volgen, hoewel niet altijd uit hetzelfde beginsel, waaruit dezen handelen, deels ook uit instemming met huns meesters leer van boete en bekering. Dikwijls wordt de strengere zijde van den Godsdienst het meest behartigd door hen, die nog onder de tucht zijn van den Geest, als Geest der dienstbaarheid, terwijl wij-hoewel dit op zijne plaats zeer goed is-er toch door heen moeten gaan, om te komen tot dat leven van verlustiging in God, en afhankelijk betrouwen op Hem, waartoe dit behoort te leiden. Nu komen zij tot Christus, om Hem te zeggen, dat zij veel vasten, "zij vonden het ten minste veel. "Elk een van de menigte der mensen roept zijne weldadigheid uit", Prediker 20:6, of zijne eigene goedheid en vroomheid. Er is in de belijders van den Godsdienst ene neiging tot snoeven op hun nauwgezetheid in het volbrengen hunner Godsdienstplichten, inzonderheid, als daar iets buitengewoons in is, ja zelfs zullen zij hierop niet alleen roemen bij de mensen, maar er bij God op pleiten, en er op vertrouwen als ene gerechtigheid. Zij laakten Christus' discipelen, omdat zij niet zo veel vastten als zij. "Uwe discipelen vasten niet." Het kon hun niet onbekend zijn, dat Christus het Zijnen discipelen tot regel had gesteld, om in het verborgen te vasten, en zich dan daarbij zo te gedragen, dat het "van de mensen niet gezien worde, dat zij vasten", en dus was het zeer liefdeloos van hen te veronderstellen, dat zij in het geheel niet vastten, wijl zij het niet uitbazuinden, als zij dit deden. Wij moeten over der mensen Godsvrucht niet oordelen naar hetgeen onder het oog der wereld valt. Doch gesteld eens, dat de discipelen van Christus werkelijk niet zo veel, en niet zo lang vastten als zij, hoe kunnen zij daar dan in waarheid uit afleiden, dat zij vromer, of Godsvruchtiger waren dan Christus' discipelen? Het is iets zeer gewoons, dat ingebeelde belijders zich zelven ten maatstaf stellen voor den Godsdienst, waarnaar dan alle mensen en alle zaken afgemeten moeten worden, alsof allen, die van hen verschilden, het bij het verkeerde einde hadden, allen, die minder deden dan zij, te weinig, en allen die meer deden dan zij, te veel deden, hetgeen een klaar en duidelijk bewijs is van hun gebrek aan ootmoed en liefde. Hoe zij nu met die klacht tot Christus kwamen. Als Christus' discipelen, hetzij door iets na te laten of door iets te doen, ergernis geven, dan komt dit terstond Christus ter ore, en zal het altijd aan Hem geweten worden. "O Jezus, zijn dit nu Uwe Christenen?" Zodat wij, als de ere van Jezus ons ter harte gaat, ons wèl hebben te gedragen. Let eens op: met het verwijt, dat Christus gold, ging men tot de discipelen, vers 11, en nu het verwijt de discipelen geldt, gaat men er mede tot Christus, vers 14. Dat is de manier om tweedracht te zaaien en de liefde te doden, de gemeente op te zetten tegen den leraar, en den leraar tegen de gemeente, of wel ook den enen vriend tegen den anderen.
II. Christus' verdediging van Zijne discipelen in deze zaak. Het eerste gedeelte der vraag van Johannes' discipelen, zou Christus als verwijt tegen hen hebben kunnen richten: "Waarom vast gij veel? Gij weet zeker zelf het best waarom gij het doet, maar velen zijn zeer ijverig in het volbrengen van uitwendige handelingen in den Godsdienst, die toch nauwelijks zelf weten, waarom en waarvoor zij het doen." Maar Hij rechtvaardigt slechts de wijze van doen Zijner discipelen. Als zij voor zich zelven niets weten te zeggen ter hunner verantwoording, heeft Hij het antwoord voor hen reeds gereed. Gelijk het de ere der wijsheid is van al hare kinderen gerechtvaardigd te worden, zo is het het geluk van hare kinderen om door de wijsheid te worden gerechtvaardigd. Wij kunnen er zeker van zijn, dat Christus, in hetgeen wij naar Zijn voorschrift en Zijn voorbeeld doen, ons zal ondersteunen en verdedigen, en wij kunnen het Hem gerust overlaten om onze oprechtheid aan het licht te brengen. Christus voert hier nu twee zaken aan ter verdediging van het niet vasten Zijner discipelen.
1. Dat het thans de geschikte tijd hier niet toe was, vers 15. "Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zo lang de bruidegom bij hen is?, Christus' antwoord is zo gesteld, dat het de wijze van doen Zijner eigene discipelen genoegzaam rechtvaardigde, zonder daarom de instelling van Johannes, of de praktijk van diens discipelen, te wraken. Toen de Farizeeën het vuur van dezen twist aanstookten, hoopten zij, dat Christus of Zijne eigene discipelen, of die van Johannes zou laken, maar Hij deed geen van beide. Als wij te eniger tijd ten onrechte gelaakt worden, dan moet het onze enige zorge zijn ons zelven te zuiveren, maar niet anderen te beschuldigen of te smaden, en er kan genoeg in de omstandigheden wezen om ons eigen gedrag te rechtvaardigen, zonder daarbij het gedrag van anderen te veroordelen. Nu is Christus' bewijsreden ontleend aan het gemene gebruik bij vreugdbetoon gedurende huwelijksfeesten, wanneer alle betoon van droefheid als ongepast wordt beschouwd, zoals bij Simsons huwelijk, Richteren 14:17. Nu waren de discipelen van Christus "de bruiloftskinderen" op de bruiloft genodigd en er verwelkomd, de discipelen der Farizeeën waren dit niet, zij waren "kinderen der dienstmaagd." Galaten 4:25, 31, onder de bedeling der duisternis en der verschrikking. De getrouwe volgelingen van Christus, die den Geest der aanneming hebben, gaan voortdurend ten feest op, terwijl zij, die onder den geest der dienstbaarheid en der vreze zijn, zich niet kunnen verblijden gelijk de volken, Hosea 9:1. De discipelen van Christus hadden den Bruidegom bij zich, de discipelen van Johannes niet, hun meester was in de gevangenis geworpen, en lag er in gevaar van zijn leven, en daarom bracht voor hen de tijd mede om veel en dikwijls te vasten. Zulk een dag zal ook komen voor de discipelen van Christus, als de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn, beroofd van Zijne lichamelijke tegenwoordigheid, en dan zullen zij vasten. De gedachte aan scheiding heeft hun hart van droefheid vervuld, Johannes 16:6, toen Hij heenging. Benauwdheid en droefheid waren hun deel, toen Hij heengegaan was, en toen hadden zij reden tot rouwbedrijf en gebed, dat is: tot Godsdienstig vasten. Jezus Christus is de Bruidegom Zijner kerk, en Zijne discipelen zijn de bruiloftskinderen. Christus stelt zich aan de discipelen van Johannes voor onder dit beeld, omdat Johannes het gebruikt had, toen hij zich een vriend des Bruidegoms noemde, Johannes 3:29. En als zij zich door dien wenk wilden herinneren wat hun meester toen heeft gezegd, dan zouden zij zelf het antwoord geven op hun vraag. De toestand der bruiloftskinderen is onderhevig aan zeer vele veranderingen in deze wereld, zij zingen "van goedertierenheid en recht". Naarmate zij meer of minder van des Bruidegoms tegenwoordigheid hebben, zijn zij vrolijk of terneergeslagen. Als Hij met hen is, schijnt Gods lamp over hun hoofd, en is alles wel, maar als Hij zich terugtrekt, al is het ook maar voor een kleinen ogenblik, dan zijn zij ontroerd en wandelen met een bezwaard hart. De tegenwoordigheid en nabijheid der zon veroorzaken den dag en den zomer, hare afwezigheid en afstand den nacht en den winter. Christus is voor de vreugde en blijdschap der kerk alles in allen. Elke plicht heeft zijn eigen tijd, Prediker 7:14 :Jakobus 5:13. Er is een tijd van treuren en een tijd van lachen, en daarnaar hebben wij ons te schikken, om daarin ook ter rechter tijd vruchten voort te brengen. Bij het vasten moeten wij acht geven op Gods wijze van doen in ons genade te betonen: als Hij om ons treurt, moeten wij rouw bedrijven. Ook in de beschikking Zijner voorzienigheid over ons zijn er tijden, wanneer de Heere "ons roept tot geween en tot rouwklage." Evenzo moeten wij ook acht geven op het bijzondere werk, waartoe wij geroepen zijn, Hoofdstuk 17:21, Handelingen 13:2.
2. Dat zij tot dien plicht gene genoegzame kracht hadden. Dit toont Hij aan door twee gelijkenissen, de ene van een nieuwen lap laken op een oud kleed te zetten, waardoor het oude kleed slechts in stukken gescheurd zou worden, vers 16, het andere van nieuwen wijn in oude lederzakken, waardoor die lederzakken slechts bersten, vers 17. Christus' discipelen waren niet zo goed in staat om die strenge tuchtmiddelen te verdragen, als de discipelen van Johannes en der Farizeeën dit konden. Er waren onder de Joden niet alleen sekten van Farizeeën en Esseërs, die ene zeer strenge levenswijze leidden, maar er waren ook profetenscholen, (dikwijls gevestigd in gebergten of woestijnen, en onder welke vele Nazareeërs waren. Zij hadden ook bijzondere academiën, waarin de mensen onder strenge tucht werden gehouden. Mogelijk zijn velen van de discipelen van Johannes daaruit voortgekomen, en ook velen van de Farizeeën, terwijl Christus' discipelen uit hun gewoon beroep of bedrijf genomen zijnde, aan zulk een streng Godsdienstig leven niet gewoon waren, en er ook ongeschikt voor waren, en door zulk veelvuldig vasten zouden zij voor hun gewone werkzaamheden niet meer geschikt zijn. Sommige Godsdienstplichten zijn zwaarder en moeilijker te volbrengen dan anderen, gelijk "ongevold laken" en "nieuwe wijn." Er wordt meer inspanning van geest toe vereist en zij zijn uiterst onaangenaam aan vlees en bloed, zoals Godsdienstig vasten en hetgeen dat daaraan verbonden is. De beste discipelen van Christus moeten een staat van kindsheid doormaken, al de bomen in den hof van Christus hebben niet een en dezelfden wasdom, en al Zijne leerlingen zijn niet in dezelfde klasse, er zijn kinderkens in Christus en er zijn mannen in Christus. Bij den eis van oefeningen van den Godsdienst heeft men op de zwakheid te letten van jonge Christenen, gelijk hun spijze geschikt moet zijn voor hun leeftijd, 1 Corinthiërs 3:2, Hebreeën 5:12, zo moet ook het werk wezen, dat hun te doen wordt gegeven. Christus wilde tot Zijne discipelen niet spreken van hetgeen zij nog niet konden dragen, Johannes 16:12. Den eerstbeginnenden in den Godsdienst moet men niet terstond de moeilijkste plichten opleggen, opdat zij niet ontmoedigd worden. Zoals de zorge Gods was over Zijn Israël, toen Hij hen had uitgevoerd uit Egypte, om hen niet door den weg der Filistijnen te laten gaan, Exodus 13:17, 18, en gelijk Jakob's zorge was over zijne kinderen en zijn vee om ze niet af te drijven, Genesis 32:13, zo is Christus' zorge over de kinderkens van Zijn huisgezin en de lammeren Zijner kudde, Hij wil ze zachtkens leiden. Uit gebrek aan deze zorge worden de lederzakken dikwijls gescheurd en de wijn uitgestort, de belijdenis van menigeen loopt op niets uit vanwege die onvoorzichtigheid bij den aanvang. Er kan bij het doen een te veel doen zijn, men kan "al te rechtvaardig" wezen, en door de list van Satan kan dat "te veel" ene oorzaak zijn, dat hetgeen gedaan wordt niet goed gedaan wordt, en dus weer ongedaan gemaakt moet worden.