Bijbelstudie
Boeken
Jeremia 11
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
1
HET woord dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, zeggende:
2
1
Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de
2
mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem.
3
3
Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls:
a
Vervloekt zij de
4
man die niet
5
hoort de woorden dezes verbonds,
4
Dat Ik uw vaderen geboden heb ten dage als Ik hen uit Egypteland, uit den
b
6
ijzeroven, uitvoerde, zeggende:
c
Zijt Mijner
7
stem gehoorzaam en doet
8
dezelve, naar alles wat Ik ulieden gebied; zo zult gij Mij tot een
9
volk zijn en Ik zal u tot een God zijn;
5
Opdat Ik den
d
eed bevestige dien Ik uw vaderen gezworen heb, hun te geven een land,
10
vloeiende van melk en honig, als het is te dezen dage. Toen antwoordde ik en zeide:
11
Amen, o HEERE.
6
En de HEERE zeide tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden dezes verbonds en doet dezelve.
7
Want Ik heb uw vaderen
12
ernstiglijk betuigd,
13
ten dage als Ik hen uit Egypteland opvoerde tot op dezen dag,
e
14
vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem.
8
Maar zij hebben niet gehoord, noch hun
f
oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iegelijk naar het
g
15
goeddunken van
16
hunlieder boos hart; daarom
17
heb Ik over hen gebracht al de
18
woorden dezes verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben.
9
Voorts zeide de HEERE tot mij: Er is een
19
verbintenis bevonden onder de mannen van Juda en onder de inwoners van Jeruzalem.
10
Zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheden hunner
20
voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en
21
zij hebben andere goden nagewandeld om die te dienen; het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond
22
gebroken, dat Ik met hun vaderen
23
gemaakt heb.
11
Daarom zegt de HEERE alzo: Zie, Ik zal een
24
kwaad over hen brengen, uit hetwelk zij niet zullen kunnen
25
uitkomen; als zij dan tot Mij zullen
h
roepen, zal Ik naar hen niet horen.
12
Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heengaan en roepen tot de goden dien zij gerookt hebben; maar zij zullen hen
26
gans niet kunnen verlossen ten tijde huns
27
kwaads.
13
Want
i
28
naar
het getal uwer steden zijn uw goden geweest, o Juda; en
naar
het getal der straten van Jeruzalem hebt gijlieden altaren gesteld voor die
29
schaamte, altaren om den Baäl te roken.
14
30
Gij dan,
k
bid niet voor dit volk en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen.
15
31
Wat heeft Mijn
32
beminde in
33
Mijn huis
te doen
, dewijl
34
zij die
35
schandelijke daad
36
met
velen doet en
37
het heilige vlees van u geweken is?
38
Wanneer gij kwaad
doet
, dan springt gij op van vreugde.
16
De HEERE had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van
39
lieflijke vruchten;
maar nu
heeft Hij met een geluid van een groot
40
geroep een
41
vuur om
42
denzelven aangestoken, en zijn
43
takken
44
zullen verbroken worden.
17
Want de HEERE der heirscharen, Die u heeft
l
45
geplant, heeft een
46
kwaad over u uitgesproken, om der boosheid wil van het huis van Israël en van het huis van Juda, die zij onder zich bedrijven om Mij
47
te vertoornen, rokende den Baäl.
18
De
48
HEERE nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen
49
hebt Gij mij hun handelingen doen zien.
19
En ik was als een lam,
als
een os, die geleid wordt
50
om te slachten; want ik wist niet dat zij
51
gedachten tegen mij dachten,
zeggende
: Laat ons
52
den boom met zijn
53
vrucht verderven en laat ons hem uit het
54
land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.
20
Maar, o HEERE der heirscharen, Gij
55
rechtvaardige Rechter,
m
Die de
56
nieren en het hart proeft, laat mij Uw wraak
57
van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak
58
ontdekt.
21
Daarom, zo zegt de HEERE van de mannen van
59
Anathoth, die uw
60
ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in den Naam des HEEREN, opdat gij van onze handen niet sterft.
22
Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen: Zie, Ik zal
61
bezoeking over hen doen: de jongelingen zullen door het zwaard sterven, hun zonen en hun dochters zullen van honger sterven.
23
En zij zullen geen
62
overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth,
in
63
het jaar hunner bezoeking.