Jeremia 7:16-20
God had hun getoond, in de vorige verzen, dat de tempel en Zijn dienst, waarop zij roemden en vertrouwden, niet zouden baten om het gedreigde oordeel te voorkomen. Maar er was iets anders, dat hun enigszins helpen kon, en dat zij toch niet waardeerden, en wel de tussenkomst van de profeet, zijn gebeden zouden meer voor hen doen dan hun eigen redeneringen, deze steun wordt nu van hen weggenomen, en droevig inderdaad is het geval van hen, die geen deel meer hebben aan de gebeden van Gods dienaren en volk.
I. God verbiedt hier de profeet om voor hen te bidden, vers 16 :Het besluit is uitgevaardigd, hun verderf is besloten, daarom "bid gij niet voor dit volk, dat wil zeggen bid niet, dat dit gedreigde oordeel opgeschort zal worden, zij hebben gezondigd tot de dood, en daarom bid niet voor hun leven, maar voor het leven hunner zielen", 1 Johannes 5:16. Zie hier
1. Dat Gods profeten bidders zijn, Jeremia voorspelde de verwoesting van Juda en Jeruzalem, en toch bad hij voor hun behoudenis, niet wetende, dat het besluit onherroepelijk was, en het is Gods wil, dat wij zullen bidden voor de vrede van Jeruzalem. Zelfs als wij zondaars met verdoemenis dreigen, moeten wij bidden voor hun behoudenis, opdat zij zich mogen bekeren en leven. Jeremia werd gehaat, vervolgd en beschimpt, door de kinderen zijns volks, en toch bad hij voor hen, want het past ons goed voor kwaad te doen.
2. Dat Gods biddende profeten grote invloed in de hemel hebben, hoe gering hun invloed ook op aarde is. Als God besloten heeft dit volk te vernietigen, verzocht Hij de profeet, niet voor hen te bidden, omdat Hij niet wil, dat zijn gebeden onverhoord blijven (zoals met gebeden van profeten zelden het geval is). God zei tot Mozes: Laat Mij toe, Exodus 32:10.
3. Het is een slecht teken voor een volk, als God de geest van Zijn dienaren en volk weerhoudt van voor hen te bidden, en hun de hopeloosheid van hun geval zo duidelijk laat zien, dat zij geen moed meer hebben een goed woord voor hen te doen.
4. Die geen acht slaan op de prediking van goede dienaren hebben ook geen goed te verwachten van hun bidden. Indien gij niet naar ons hoort, als wij Gods woord tot u spreken, zal God niet naar ons horen, als wij uw woorden tot Hem spreken.
II. Hij geeft hem de reden op van dit verbod. De adem des gebeds is te kostbaar om verspild en weggeworpen te worden aan een volk verhard in de zonde en getekend voor de ondergang.
1. Zij zijn besloten in hun rebellie tegen God te volharden, en willen zich niet bekeren op de prediking van de profeet. Hiervoor beroept Hij zich op de profeet zelf en wat Hij gezien en opgemerkt heeft, vers 17. Ziet gij niet wat zij doen, openlijk en in `t publiek, zonder schaamte of vrees, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem? Dit betekent beide, dat de zonde openbaar was en niet geloochend kan worden en, dat de zondaren onbeschaamd waren en niet op het rechte pad gebracht wilden worden, zij bedreven hun goddeloosheid zelfs in tegenwoordigheid van de profeet en onderzijn oog, hij zag, wat zij deden, en toch deden zij het, wat een belediging was van zijn ambt, en voor Hem, wiens dienaar hij was, en trotseerden beide. Merk nu op
A. Wat de zonde is, waarvan zij hier beschuldigd worden-het is afgoderij, vers 18. Zij bewijzen afgodische eer aan de koningin des hemels, de maan, aan haar beeld, of aan haar zelf, of beide. Zij aanbaden haar waarschijnlijk onder de naam van Astaroth, of een andere van hun godinnen, verlokt door het gezicht van haar schitterende baan, en menende, dat zij verplicht waren aan haar weldadigen invloed of uit vrees voor haar bozen invloed, Job 31:26. De aanbidding van de maan was veel in gebruik bij de heidense volken, Hoofdstuk 44:17, 19. Sommigen lezen daar de "gedaante of het gewrocht des hemels." Het heelal met al zijn sieraden en krachten was het voorwerp van hun aanbidding. Zij "aanbaden het heir des hemels," Handelingen 7:21. De hulde, die zij behoorden te brengen aan hun Vorst, brachten zij aan de standbeelden, die de gevel van Zijn paleis verfraaiden, zij aanbaden de schepselen in plaats van Hem, die ze gemaakt had die dienaren in plaats van de Meester, en de gaven inplaats van de Gever. Met de koningin des hemels aanbaden zij andere goden, beelden van wat niet alleen boven in de hemel, maar onder op de aarde, en in de wateren onder de aarde was, want zij, die de ware God verzaken, wandelen andere goden na zonder einde. Aan deze godheden van hun eigen maaksel offeren zij koeken als hefoffer, en gieten zij drankoffers uit, alsof zij spijs en drank van hen hadden en verplicht waren hun erkentelijkheid te betonen, en zie hoe druk zij zijn, en hoe iedere hand bezig is in de dienst van deze afgoden, juist zoals zij gewoonlijk bezig waren in hun eigen werk. De kinderen werden uitgezonden om hout te lezen, de vaders staken het vuur aan om deze over te verhitten, als zij van de armere klasse waren, die geen knecht konden houden om het te doen, en liever wilden ze het zelf doen, dan dat het ongedaan zou blijven, de vrouwen kneedden het deeg met haar eigen handen, want, al hadden zij meiden om het te doen, zij stelden er haar eer in, haar ijver voor de afgoden te tonen door het zelf te doen. Laten wij ons onderrichten in de dienst van onze God, zelfs door dit slechte voorbeeld.
a. Laat ons Hem eren met ons bestaan, als die hun bestaan van Hem hebben. En eten en drinken ter ere van Hem, van wie wij ons eten en drinken hebben.
b. Laat ons niet terugdeinzen voor de zwaarste diensten, en ons niet te voornaam achten af te dalen tot de laagste, waardoor God geëerd kan worden, want niemand zal tevergeefs op Gods altaar vuur ontsteken. Laten wij het een eer rekenen, voor God ergens in bezig te zijn.
c. Laten wij onze kinderen groot brengen in godvruchtige daden, laat hen, zodra zij er toe in staat zijn, zich onledig houden met een of ander, dat dient om de eredienst in stand te houden.
B. Wat is de onmiddellijke strekking van deze zonde. "Dat zij Mij tot toorn tergen, zij kunnen er niets anders mee bedoelen. Maar vers 19, tergen zij Mij tot toorn? Is het omdat Ik moeilijk te voldoen ben, of licht getergd? Of zal de blaam van de verbolgenheid op Mij vallen? Neen, het is hun eigen werk, zij hebben het zichzelf te wijten, en zij allen zullen die dragen. Is het tegen God dat zij Hem tergen? Is Hij er slechter door? Doet het Hem enig wezenlijk nadeel? Neen, is het niet tegen hen zelf, tot beschaming huns aangezichts? Het is boosheid tegen God, maar het is onmachtige boosheid, het kan Hem niet schaden, neen, het is dwaze boosheid, het zal hun zelf schaden. Zij tonen hun wrevel tegen God, maar zij uiten die tegen zichzelf. Kunt gij iets anders denken dan dat een volk, zo roekeloos gesteld op zijn eigen ondergang, verlaten moet worden?
2. God is besloten om Zijn oordelen nog verder over hen te brengen, en wil Zich niet laten tegenhouden door de gebeden van de profeet. Zo zegt de Heere God, en wat Hij zegt, wil Hij niet herroepen, en ook kan de hele wereld het niet tegenspreken, luister er daarom naar en beef. Zie Mijn toorn en Mijn grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, zoals de zondvloed over de oude wereld of de regen van vuur en zwavel over Sodom, sinds zij Mij willen vertoornen, moeten ze afwachten, wat er van komt. Ze zullen spoedig bevinden: a. Dat er geen ontkomen is aan deze overstroming van vuur, door vlucht noch door verweer, het zal over deze plaats uitgestort worden, of schoon het een heilige plaats is, het huis des Heeren. Het zal komen over beide, man en beest, als de plagen van Egypte, en als enige daarvan, zal het de bomen des velds en de vruchten van de aarde vernielen, die zij bestemd en bereid hadden voor Baäl, en waarvan zij koeken hadden gemaakt voor de koningin des hemels.
b. Er is geen uitblussen aan. Het zal branden en niet uitgedoofd worden, gebeden en tranen zullen niets baten. Als Zijn toorn maar een weinig is ontstoken, veel meer als Hij zo hevig ontstoken is zal er geen uitdoven zijn. Gods toorn is zo'n onuitblusselijk vuur, dat de eeuwigheid zelf er geen eind aan zijn zal. Gaat weg, gij gevloekten, in het eeuwige vuur.