23. En zij, die wilden, dat uw naam niet meer zou gedacht worden (
Vers 19), zullen geen overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth, in het jaar hunner bezoeking, als Ik hun rekenschap zal vragen omtrent hun handeling tegen u.
Toen de Heere den Profeet de voorbede voor zijn volk verbood, kon het schijnen, alsof de goddelijke lankmoedigheid geringer was dan de menselijke barmhartigheid. Daarom wordt nu hier aan Jeremia een oog gegeven in de diepe verworpenheid van het volk, daar hij verneemt, dat zijne medeburgers te Anathoth tegen hem zelven zulke boze en schandelijke aanslagen gesmeed hadden. Nu verheft zich in hem het gevoel, dat Gods gerechtigheid hiertegen moet ingaan en de tegenstanders moet vergelden, gelijk recht is. Hij bidt: "laat mij Uwe wraak over hen zien, " en daardoor komt aan het licht, dat menselijke barmhartigheid slechts zo lang groter is dan de Goddelijke lankmoedigheid, als de mens zelf nog niet de gekrenkte, vervolgde, slecht behandelde is, maar dadelijk voor het verlangen naar genoegdoening wijkt, zodra dit ondervonden wordt. Wat het bijzonder ongeluk aangaat, dat de burgers te Anathoth later bij de belegering en verwoesting van Jeruzalem getroffen heeft, zo hebben wij daarover gene nadere berichten. Misschien kwamen de inwoners van deze plaats tot op een gering getal om; dat zij niet allen omkwamen blijkt uit Ezra 2:23 en Nehemia 7:27. De loop van het strenge vonnis is dus ook daar enigzins opgehouden, zoals bij het overige volk in `t algemeen (Hoofdstuk 4:27). Misschien heeft Jeremia zelf later voor hen tot den Heere gebeden, dat de stad niet geheel zou vergaan, dat er niemand zou overblijven. Die voorbede was niet verboden.
De verwoesting zal volkomen zijn. Niemand die het zaad zal zijn tot een volgend geslacht; zij zochten Jeremia's leven en daarom zullen zij sterven; zij wilden hem met wortel en tak uitroeien, opdat zijn naam niet meer zou gedacht worden en daarom zal er geen overblijfsel van hen zijn. En daarin is de Heere rechtvaardig. Dus wordt het kwaad over hen gebracht in het jaar hunner beroving, en dit is kwaad genoeg, een vergelding overeenkomstig met hun verdienste.