Genesis 8:15-19
Hier is:
I. Noach's wegzending uit de ark, vers 15.
Merk op:
1. Noach ging niet heen, voordat God het hem zei. Gelijk hij een bevel had om in de ark te gaan, Hoofdstuk 7:1, zo wilde hij, hoe vervelend zijn gevangenschap er ook in was, toch wachten op een bevel om er weer uit te gaan. In al onze wegen moeten wij God kennen, en bij al onze bewegingen Hem voor ogen hebben. Alleen diegenen gaan onder Gods bescherming, die Gods leiding volgen, en zich aan Zijn bestuur onderwerpen. Zij, die zich standvastig houden aan Gods woord als hun regel, geleid worden door Zijn genade als hun beginsel, die de wenken ter harte nemen van Zijn voorzienigheid om hen te helpen in hun toepassing van algemene aanwijzingen op bijzondere gevallen, kunnen in het geloof zien, dat Hij hen bestuurt en leidt op hun reis door deze woestijn.
2. Hoewel God hem lang in de ark heeft laten blijven, heeft Hij er hem ten laatste toch uit ontslagen, want "het gezicht is tot een bestemde tijd, dan zal Hij het op het einde voortbrengen en niet liegen," Habakuk 2:3. God had gezegd: Kom in de ark, hetgeen te kennen gaf, dat God er met hem ging: nu zegt Hij, niet: Kom uit, maar: ga uit, hetgeen aanduidt, dat God, die met hem ging, al die tijd met hem gebleven is, totdat Hij hem er veilig uit wegzond, want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet verlaten.
3. Sommigen maken de opmerking dat, toen hun bevolen werd in de ark te gaan, de mannen en vrouwen afzonderlijk genoemd werden Hoofdstuk 6:18. Gij en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen, waaruit zij afleiden, dat zij gedurende de tijd van rouw afgezonderd waren, en hun vrouwen afgezonderd waren, Zacheria 12:12. Maar nu heeft God hen, als het ware, opnieuw getrouwd, Noach en zijn vrouw tezamen uit de ark zendende, en zijn zonen tezamen met hun vrouwen, opdat zij vruchtbaar zouden zijn en vermenigvuldigen.
4. Noach ontvangt bevel om ook de dieren met zich uit de ark te brengen, opdat hij, na gedurende zo lange tijd de zorg gehad te hebben om hen te voeden, en zoveel moeite met hen gehad te hebben, nu ook de eer zou hebben hun heiren uit te voeren en hun hulde te ontvangen.
II. Noach's vertrek toen hij zijn ontslag had bekomen. Gelijk hij zonder verlof niet uit de ark wilde gaan zo wilde hij er ook niet uit vrees of uit grilligheid in blijven, nadat hij dat verlof had verkregen, in alle opzichten is hij het hemels gezicht gehoorzaam geweest. Hoewel hij nu een jaar en tien dagen een gevangene is geweest in de ark, heeft hij toch toen hij er zich in bewaard vond, niet slechts voor een nieuw leven, maar voor een nieuwe wereld, geen reden gezien om over zijn langdurige gevangenschap te klagen. Merk nu op:
1. Noach en zijn gezin kwamen levend uit de ark, hoewel een hunner de goddeloze Cham was, die God, hoewel hij aan de vloed was ontkomen, toch op andere wijze uit het leven had kunnen wegrukken, maar zij zijn allen levend. Als een gezin lang bij elkaar is gebleven, zonder dat er een breuk in is ontstaan, dan moet dit beschouwd worden als een bijzondere gunst, en toegeschreven worden aan des Heeren genade. 2. Noach bracht al de dieren uit de ark, die hij er met zich ingebracht had, behalve de raaf en de duif, die waarschijnlijk gereed waren om haar makkers te ontmoeten, toen die naar buiten kwamen. Noach kon zeer goede berichten geven van hetgeen hem toevertrouwd was geweest, want van allen, die hem gegeven waren, had hij er geen verloren, maar hij is getrouw geweest aan Hem, die hem had aangesteld, "pro hok vice-voor deze gelegenheid" tot opperhofmeester van Zijn gezin.