Genesis 7:13-16
Hier wordt herhaald hetgeen tevoren verhaald was van het gaan in de ark van Noach en zijn gezin, en de dieren, die tot behoud waren aangewezen.
I. Dit wordt aldus herhaald ter ere van Noach, wiens geloof en gehoorzaamheid hierin zo helder uitblonken, waardoor hij een goed getuigenis heeft verkregen, en die hierin zo groot een gunstgenoot des hemels bleek te zijn, en zo groot een zegen voor deze aarde.
II. Er wordt hier nota genomen van de dieren die ingingen, ieder naar zijn aard, overeenkomstig de uitdrukking, gebruikt in de geschiedenis van de schepping, Hoofdstuk 1:21-25, om te kennen te geven, dat juist zoveel soorten als in den beginne geschapen werden, nu werden behouden, en niet minder, en dat deze bewering als een nieuwe schepping was. Een leven, dat op merkwaardige wijze behouden werd, is als het ware een nieuw leven.
III. Hoewel alle vijandschap tussen de schepselen voor het tegenwoordige ophield, en verslindende, roofgierige dieren niet slechts zo zacht en handelbaar waren, dat de wolf en het lam tezamen nederlagen, maar zo veranderd waren, dat de leeuw stro at gelijk de os, Jesaja 11:6, 7, waren zij, toen de tegenwoordige toestand voorbij was en het bedwang weggenomen werd, toch nog van dezelfde aard als tevoren, want de ark heeft hun aard en lichaamsgestel niet veranderd. Geveinsden in de kerk, die zich uitwendig naar de wetten van die ark gedragen, kunnen toch onveranderd zijn, en op de een of andere tijd zal het dan blijken van welke aard zij zijn.
IV. Er wordt bijgevoegd (en die bijzonderheid verdient al onze aandacht) de Heere sloot achter hem toe, vers 16. Gelijk Noach volhardde in zijn gehoorzaamheid aan God, zo volhardde God in Zijn zorg voor Noach, en hier bleek het een zeer onderscheidende zorg te zijn want het sluiten van deze deur richtte een scheidingsmuur op tussen hem en de overige wereld. God sloot de deur:
1. Om hem te beschermen en hem veilig in de ark te bewaren. De deur moet zeer dicht gesloten worden, opdat het water er niet doorheen zal dringen en de ark zal doen zinken, en zeer stevig, opdat niemand van buiten haar zal openbreken. Aldus heeft God Noach afgezonderd, zoals Hij Zijn juwelen afzondert.
2. Om alle anderen buiten te sluiten, en hen voor altijd buitengesloten te houden. Totnutoe was de deur van de ark open, en indien iemand zelfs in de laatste zeven dagen, zich had bekeerd en had geloofd, dan zou hij, voor zoveel ik weet, welkom geweest zijn in de ark, maar nu was de deur gesloten, en was alle hoop om er in toegelaten te worden voor hen afgesneden, want God sluit, en niemand opent.
V. In deze behoudenis van Noach in de ark is zeer veel van onze Evangelieplicht en van ons Evangelievoorrecht te zien. De apostel maakt het tot een type van onze doop, dat is: van ons Christendom, 1 Petrus 3:20, 21. Merk dan op:
1. Dat het onze grote plicht is, dat wij in gehoorzaamheid aan de roepstem des Evangelies, door een levendig geloof in Christus komen op die weg van de zaligheid, die God voor arme zondaars bereid heeft. Toen Noach in de ark kwam, verliet hij zijn huis en zijn akkers, zo moeten wij afstand doen van onze eigen gerechtigheid en onze wereldlijke bezittingen, zodra zij in mededinging komen met Christus. Noach moet zich een wijl onderwerpen aan de beperkingen en de ongerieflijkheden van de ark, ten einde voor een nieuwe wereld bewaard te kunnen blijven- zo moeten zij, die tot Christus komen om door Hem behouden te worden, zichzelf verloochenen zowel in lijden als in dienen.
2. Zij, die zelf in de ark komen, moeten er zo velen in medebrengen als zij kunnen, door goede lering, door overtuiging en door een goed voorbeeld. "Wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken," 1 Corinthiërs 7:16, zoals Noach zijn vrouw behouden heeft. Er is in Christus plaats genoeg voor allen, die komen.
3. Zij, die door geloof komen in Christus, de Ark, zullen door de kracht Gods er ingesloten worden, en er in bewaard worden door de kracht Gods, als in een sterkte, 1 Petrus 1:5. God stelde Adam in het paradijs, maar Hij heeft er hem niet ingesloten, en zo heeft hij er zichzelf uitgeworpen, maar toen Hij Noach in de ark bracht, sloot Hij hem er in, en als Hij een ziel tot Christus brengt, verzekert Hij de zaligheid van die ziel, zij ligt niet in onze eigen bewaring, maar in de hand des Middelaars.
4. De deur van de genade zal weldra gesloten worden voor hen, die haar nu veronachtzamen. Nu heet het: "Klop en u zal opengedaan worden" maar de tijd komt, wanneer dit niet zal geschieden, Lukas 13:25.