2 Koningen 2:13-18
Wij hebben hier wat er terstond na de wegneming van Elia heeft plaatsgehad.
I. De tekenen van Gods tegenwoordigheid met Elisa en van zijn verheffing om, in Elia's plaats, een vader te zijn voor de zonen van de profeten, en de wagen en ruiters van Israël.
1. Hij kwam in het bezit van Elia's mantel, het kenteken van zijn ambt, die hij, naar wij kunnen veronderstellen, omdeed en, om zijns meesters wil, droeg, vers 13. Toen Elia naar de hemel ging, heeft hij niet, zoals anderen zijn lichaam laten vallen maar in plaats daarvan liet hij zijn mantel vallen, want hij was ontkleed, ten einde met onsterflijkheid bekleed te worden. Hij ging heen naar een wereld, waar hij geen behoefte had aan een mantel, noch tot sieraad, noch ter beschutting tegen het weer, noch om er zijn gelaat mee te omwinden zoals 1 Koningen 19:13. Hij liet zijn mantel als een legaat aan Elisa. Op zichzelf was hij van geringe waarde, maar als een teken van de neerdaling van de Geest op hem was hij meer voor hem, dan wanneer hij hem duizenden van goud of zilver had vermaakt. Elisa nam hem op, niet als een heilige relikwie om vereerd en aangebeden te worden, maar als een veelbetekenend kledingstuk om te worden gedragen en als een vergoeding van zijn eigen kleren, die hij gescheurd had. Hij beminde die mantel van dat hij voor het eerst op hem geworpen was, 1 Koningen 19:19. Hij, die toen zo blijmoedig de oproeping gevolgd heeft en Elia's dienaar is geworden, wordt er nu mee verwaardigd, en hij wordt zijn opvolger. Er zijn overblijfselen van grote en Godvruchtige mannen, die, evenals deze mantel, door de overlevenden opgenomen en bewaard moeten worden, hun gezegden hun geschriften, hun voorbeeld, opdat, gelijk hun werken hen, in beloning er van, volgen deze achterblijven, om als de vruchten er van genoten te worden.
2. Hij kwam in het bezit van Elia's macht om de Jordaan te verdelen, vers 14. Gescheiden zijnde van zijn vader, keert hij terug tot zijn zonen in de scholen van de profeten. Tussen hem en hen stroomde de Jordaan, die verdeeld was om voor Elia een open weg te maken naar de heerlijkheid, nu zal hij beproeven hem te verdelen, ten einde een weg voor hem te maken naar zijn werk, en daaraan zal hij weten of God met hem is, en dat hij het dubbele deel heeft van Elia's geest. Elia's laatste wonder zal Elisa's eerste wonder zijn, aldus begint hij, waar Elia gebleven is, en is er geen leegte, geen leemte. In het verdelen van de wateren:
A. Maakte hij gebruik van Elia's mantel zoals Elia zelf het gedaan heeft, vers 8, om aan te duiden dat hij zich aan de methoden van zijn meester zal houden, niets nieuws zou invoeren zoals zij doen, die zich wijzer achten dan hun voorgangers.
B. Wendt hij zich tot Elia's God: Waar is de Heere, de God van Elia? Hij vraagt niet: "Waar is Elia?" hetzij als starende op zijn verlies, alsof hij niet gerust of gelukkig kon zijn nu hij is heengegaan of als een uiting van twijfel aan zijn toestand van gelukzaligheid alsof hij, evenals de zonen van de profeten hier, niet wist wat er van hem was geworden, of als nieuwsgierig naar hem vragende, en naar bijzonderheden van de staat, waarin hij was overgebracht. Neen, dat is een verborgen leven het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen, noch als hulp van hem verwachtende, neen, Elia is zalig, maar is noch alwetend, noch almachtig, maar hij vraagt: Waar is de Heere de God van Elia? Nu Elia in de hemel was opgenomen, heeft God zich overvloedig bewezen de God van Elia te zijn, indien Hij deze stad niet voor hem bereid had, en daar meer voor hem had gedaan, dan Hij ooit in deze wereld voor hem gedaan heeft, "Hij zou zich geschaamd hebben zijn God genoemd te worden", Hebreeën 11:16. Nu Elia in de hemel was opgenomen, vroeg Elisa:
a. Naar God. Als onze genietingen en vertroostingen in het schepsel ons worden ontnomen, dan hebben wij God, tot wie wij heen kunnen gaan, God, die leeft tot in eeuwigheid.
b. Naar de God van Elia, de God, die Elia heeft gediend en geëerd, voor wie hij heeft gestreden, die hij is blijven aankleven, toen geheel Israël Hem had verlaten. Deze eer wordt gedaan aan hen, die in tijden van algemene afval God blijven aankleven, dat God in bijzondere zin hun God zal zijn: "De God, die Elia erkend en beschermd heeft, voor hem heeft gezorgd, en hem op velerlei wijze heeft geëerd, inzonderheid nu, aan het einde van zijn aardse loopbaan, waar is Hij? Heere, is mij Elia's geest niet beloofd? Vervul dan nu deze belofte." De woorden, die er in het oorspronkelijke onmiddellijk op volgen "af-hu", ja dezelve, beschouwen sommigen als een antwoord op deze vraag: Waar is de God van Elia? Hij is nog in wezen en geheel nabij, wij hebben Elia verloren, maar Elia's God hebben wij niet verloren, Hij heeft de aarde niet verlaten, ja Hij is het, die nog met mij is." Het is de plicht en het belang van de heiligen op aarde om naar God te vragen, en zich tot Hem te wenden als de Heere, de God van de heiligen, die hun zijn voorgegaan naar de hemel, de God van onze vaderen. Het is voor hen, die naar God vragen zeer troostrijk, dat zij weten waar Hij te vinden is, "Hij is in het paleis van Zijn heiligheid', Psalm 11:4, "en nabij allen, die Hem aanroepen," Psalm 145:18. Zij, die wandelen in de geest en de voetstappen van hun Godvruchtige, getrouwe voorgangers, zullen gewis dezelfde genade ervaren, die zij hebben ervaren. Elia's God zal ook Elisa's God wezen. De Heere, de God van de heilige profeten, is dezelfde gisteren, heden en tot in eeuwigheid, en wat zal het ons baten de mantels te hebben van hen, die heengegaan zijn hun plaatsen, hun boeken, indien wij hun geest, hun God niet hebben?
3. Hij was in het bezit gesteld van Elia's invloed op de zonen van de profeten vers 15. Sommigen van hun, van de school te Jericho, die zich op een geschikte plaats bij de Jordaan hadden gesteld om te zien wat er voorviel waren verwonderd de Jordaan voor het aangezicht van Elisa verdeeld te zien bij zijn terugkeer, en hielden dit voor een overtuigend bewijs dat de geest van Elia op hem rustte, en dat zij hem daarom dezelfde eerbied moesten betonen, die zij aan Elia betoond hadden. Dientengevolge gingen zij hem tegemoet, om hem hun blijdschap te betuigen wegens zijn veilig heengaan door vuur en water, en de eer, die God hem heeft aangedaan, en zij bogen zich ter aarde voor hem. Zij waren opgeleid in de scholen, Elisa was van achter de ploeg genomen, maar als zij bespeuren dat God met hem is, en dat hij de man is tot wiens eer Hij een welbehagen heeft, zijn zij bereid zich aan hem te onderwerpen als aan hun hoofd en vader zoals het volk zich aan Jozua onderwierp toen Mozes was gestorven, Jozua 1:17. Zij van wie het blijkt, dat zij de Geest Gods hebben en dat God met hen is, behoren onze achting en genegenheid te hebben, al zijn zij ook van geringe afkomst en opleiding. Die God eert moeten wij eren. Deze gerede onderworpenheid van de zonen van de profeten was ongetwijfeld een grote bemoediging voor Elisa en droeg er toe bij om zijn roeping duidelijk te maken.
II. Het nutteloze zoeken van de zonen van de profeten naar Elia.
1. Zij wierpen het denkbeeld op, dat hij ergens neergezet of wel gevallen was, hetzij levend of dood, ergens op een berg, of in een dal lag, en het zou hun een voldoening zijn, om enige sterke mannen, over wie zij te beschikken hadden, uit te zenden om hem te zoeken, vers 16. Sommigen van hen stelden dit misschien voor als een exceptie tegen de keus van Elisa: "Laat ons eerst de volkomen zekerheid verkrijgen, dat Elia werkelijk heengegaan is. Kunnen wij denken dat Elia aldus veronachtzaamd is door de hemel, dat uitverkoren vat aldus is weggeworpen als een vat waar men geen lust toe heeft?"
2. Elisa stemde niet in met hun voorstel voordat zij hem door sterke aandrang overmocht hadden, vers 17. Zij hielden bij hem aan tot hij zich schaamde om hen nog langer tegen te staan, opdat men niet zou denken dat hij tekort kwam in liefde en eerbied voor zijn oude meester, of er afkerig van was om zijn mantel weer af te staan. Wijze mensen kunnen om der wille van de vrede en van de goede mening van anderen toegeven ten opzichte van hetgeen, waar hun oordeel tegen is als zijnde nutteloos en vruchteloos.
3. De uitkomst maakte hen even beschaamd over hun voorstel, als zij door hun dringend aanhouden Elisa beschaamd hadden gemaakt om zijn verzet er tegen. Na zich met hun vruchteloos zoeken vermoeid te hebben, keerden hun boden terug-met een "non est inventus-hij is niet te vinden," en gaven aan Elisa de gelegenheid om zijn vrienden hun dwaasheid te verwijten. Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet? vers 18. Dit zal hen nu des te meer gewillig maken om een ander maal te berusten in zijn oordeel. Bergen en dalen te doorkruisen zal ons niet tot Elia brengen, maar wel, ter bestemder tijd, het navolgen van zijn heilig geloof en zijn ijver.