Prediker 9:1-3
Men heeft opgemerkt betreffende hen, die pretendeerden naar de steen van de wijzen te zoeken, dat zij wel nooit hebben kunnen vinden wat zij zochten, maar toch bij hun zoeken vele andere nuttige ontdekkingen hebben gedaan. Zo heeft Salomo, toen hij aan het einde van het vorige hoofdstuk zijn hart begaf om het werk Gods te kennen, en zich zeer veel moeite gaf om het te onderzoeken, wel gewanhoopt om het uit te vinden, maar hij heeft toch datgene gevonden, dat hem overvloedig beloonde voor zijn zoeken, en het gaf hem enige voldoening, die hij ons hier mededeelt, want hij heeft dit alles in zijn hart gelegd, het overdacht en overwogen, om het te verklaren ten goede van anderen. Hetgeen wij moeten verklaren behoren wij eerst te overwegen, te overdenken, wij moeten tweemaal denken voor wij eenmaal spreken, en wat wij hebben overdacht, behoren wij te verklaren, dat is: bekend te maken. Ik heb geloofd, daarom sprak ik.
De grote moeilijkheid, die Salomo ontmoette in het bestuderen van het boek van de voorzienigheid, was het kleine verschil, dat er gemaakt wordt tussen goede en slechte mensen bij de verdeling van gunsten en voorrechten en van tegenspoeden, en bij de beschikking van de gebeurtenissen, dit heeft het gemoed van vele wijze en nadenkende mensen ontroerd en verbijsterd. Salomo spreekt ervan in deze verzen, en hoewel hij het niet beproeft om dit werk Gods uit te vinden, zegt hij toch hetgeen voorkomen kan, dat het een struikelblok wordt voor ons.
1. Eer hij de verzoeking in haar kracht breekt, spreekt hij een grote en ontwijfelbare waarheid uit, waarbij hij besluit te blijven, en die, zo zij vast geloofd wordt, volstaan zal om de kracht van de verzoeking te breken. Dat is de wijze van doen geweest van Gods volk in hun strijden tegen deze verzoeking. Eer Job over deze zaak handelt, stelt hij de leer van Gods alwetendheid, Job 24:1, Jeremia stelt de leer van Zijn gerechtigheid, Jeremia 12:1, een andere profeet die van Zijn heiligheid, Habakuk 1:13, de psalmist die van Zijn goedheid en bijzondere gunst jegens Zijn eigen volk, Psalm 73:1, en dat is het, waaraan Salomo zich hier vastklemt en waarbij hij besluit te blijven, namelijk dat hoewel goed en kwaad als dooreen gemengd zijn in de bedeling ervan, God toch een bijzondere zorg heeft voor Zijn eigen volk. De rechtvaardigen en de wijzen en hun werken zijn in de hand Gods, onder Zijn bijzondere bescherming en leiding al hun zaken worden door Hem tot hun welzijn bestuurd en geregeld, al hun wijze en rechtvaardige daden zijn in Zijn hand, om beloond te worden in de andere wereld, al is het niet in deze. Zij schijnen in de hand van hun vijanden overgegaan te zijn, maar het is niet zo, de mensen hebben geen macht tegen hen, dan die hun van boven gegeven is, de gebeurtenissen, die hen aandoen en bewegen, komen niet bij geval, maar geschieden naar de wil en de raad Gods, die datgene voor hen zal doen uitkomen wat tegen hen scheen te zijn. Laat onder alles wat er gebeurt dit ons rust geven, dat alle Gods heiligen in Zijn hand zijn. Deuteronomium 33:3, Johannes 10:29, Psalm 31:16.
2. Hij stelt dit als een regel: dat over de liefde en de haat van God niet geoordeeld ken worden naar van de mensen uitwendige toestand. Indien voorspoed een stellig teken was van Gods liefde, en beproeving van Zijn haat, dan zou het met recht een aanstoot voor ons kunnen wezen om te zien dat de goddeloze en de godvruchtige hetzelfde ondervindt. Maar zo staat de zaak niet. Ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is in deze wereld, uit die dingen welke door de zinnen worden waargenomen. Deze kunnen wij kennen naar hetgeen binnen in ons is, als wij God liefhebben met geheel ons hart dan kunnen wij daaraan weten dat Hij ons liefheeft, gelijk wij evenzo kunnen weten dat wij onder Zijn toorn zijn als wij geregeerd worden door het bedenken des vleses, dat vijandschap is tegen God, deze zullen gekend worden door hetgeen hiernamaals wezen zal, door de eeuwigen staat van de mensen. Het is zeker dat de mensen gelukkig of rampzalig zijn, al naar zij onder de liefde of onder de haat van God zijn maar niet al naar zij onder de goedkeuring of de afkeuring van de wereld zijn, en daarom, indien God een rechtvaardige liefheeft en gewis heeft Hij hem lief dan is hij gelukkig, al zou de wereld hem dan ook met donkere dreigende blikken aanzien, en indien Hij een goddeloze haat dat Hij zeer zeker doet dan is hij rampzalig, al ziet de wereld hem met vriendelijke, goedkeurende blikken aan, en zo is dan de aanstoot van die dooreen gemengde bedeling van de gebeurtenissen weggenomen.
3. Deze beginselen vastgesteld hebbende, erkent hij dat alle ding hun wedervaart gelijk alle anderen, zo is het vroeger geweest, en daarom moeten wij het niet vreemd vinden indien het ook nu zo is, indien het zo is met ons en ons gezin. Sommigen houden dit en al wat volgt tot aan vers 13 voor de verkeerde redenering van de atheïsten tegen de leer van Gods voorzienigheid, maar ik houd het veeleer voor Salomo's concessie, die hij zoveel vrijmoediger doen kon, nu hij deze waarheden had vastgesteld, die genoegzaam behoeden kunnen tegen ieder misbruik van hetgeen hij toegeeft. Merk hier op, vers 2 :
A. Het grote verschil, dat er is tussen het karakter van de rechtvaardige en van de goddeloze, die in onderscheidene voorbeelden tegenover elkaar gesteld worden, om aan te tonen dat, hoewel alle ding hun wedervaart gelijk allen, dit toch het eeuwige verschil tussen zedelijk goed en kwaad volstrekt niet uitwist, maar dat dit onveranderlijk blijft.
a. De rechtvaardigen zijn rein, hebben reine handen en zuivere harten, de goddelozen zijn onrein, onder de heerschappij van onreine lusten, zuiver misschien in hun eigen ogen, maar niet gereinigd van hun onreinheid. God zal gewis een verschil stellen tussen de reinen en de onreinen, het kostelijke en het snode in de andere wereld, al schijnt Hij het niet te doen in deze.
b. De rechtvaardigen offeren, zij leggen er zich met hun geweten op toe om God te aanbidden naar Zijn wil, beide in de innerlijke en de uitwendige aanbidding, de goddelozen oreren niet, zij leven in veronachtzaming van de aanbidding Gods, en hebben er een tegenzin in om iets af te staan tot Zijn eer. Wat is de Almachtige, dat zij Hem zouden dienen?
c. De rechtvaardigen zijn goed, goed in Gods ogen, zij doen goed in de wereld, de goddelozen zijn zondaren, die de wetten van God en de mensen overtreden, en beide voor God en de mensen tergend zijn.
d. De goddeloze zweeft, heeft geen eerbied voor de naam Gods, maar ontheiligt hem door roekeloos te zweren en valselijk te zweren, maar de rechtvaardige vreest de eed, zweert niet, maar wordt bezworen, en dan is hij vervuld van eerbied, hij vreest een eed te doen, omdat het een plechtig beroep is op God als getuige en rechter, als hij een eed gedaan heeft, vreest hij hem te breken, omdat God rechtvaardig is en wraak doet.
B. Het kleine verschil, dat er is tussen de toestand van de rechtvaardige en de goddeloze in deze wereld. Enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze. Is David rijk? Nabal is het ook. Wordt Jozef begunstigd door zijn vorst? Haman ook. Wordt Achab gedood in een veldslag? Josia evenzo. Worden de slechte vijgen naar Babel gebracht? Ook de goede. Jeremia 24:1. Er is een zeer groot verschil tussen de oorsprong, de bedoeling en de aard van dezelfde gebeurtenis voor de één en voor de ander, ook de uitkomst, de gevolgen ervan zijn zeer verschillend, dezelfde beschikking van Gods voorzienigheid is voor de ander een reuk des levens ten leven, voor de ander een reuk des doods ten dode, hoewel het naar de uiterlijke schijn hetzelfde is.
4. Hij erkent dat dit een zeer grote grief is voor hen, die wijs en goed zijn. Dit is een kwaad, het meest verbijsterende onder alles dat onder de zon geschiedt, vers 3, niets heeft mij meer beroering veroorzaakt de dit: dat enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze. Het verhardt de atheïsten en sterkt de handen van boosdoeners, want daarom is het, dat het hart van de kinderen van de mensen in hen vol is om kwaad te doen, Hoofdstuk 8:11. Als zij zien dat de rechtvaardige en de goddeloze generlei wedervaart, dan leiden zij daar goddeloos uit af, dat het voor God volkomen hetzelfde is, of zij rechtvaardig of goddeloos zijn, en daarom deinzen zij voor niets terug om hun lusten te bevredigen.
5. Gelijk hij deze rede begonnen is met de leer van het geluk van de rechtvaardigen, (wat zij ook te lijden hebben, zij en hun zijn in de handen Gods, en dus in goede handen zij konden in geen betere zijn) zo besluit hij ter verdere oplossing van deze moeilijkheid, met de leer van de rampzaligheid van de goddelozen, hoe voorspoedig zij ook mogen wezen, onzinnigheden zijn in hun hart terwijl zij leven, en daarom moeten zij naar de doden. Benijd de voorspoed niet van boosdoeners.
a. Zij zijn thans onzinnigen, en al de genietingen, waarmee zij gezegend schijnen te zijn, zijn slechts als lieflijke dromen van een waanzinnige. Zij razen naar de verschrikkelijke afgoden, Jeremia 50:38, woeden tegen Gods volk, Handelingen 26:11. Toen de verloren zoon berouw had, is hij tot zichzelf gekomen, Lukas 15:17, waaruit blijkt dat hij tevoren buiten zichzelf was.
b. Weldra zullen zij doden zijn. Zij maken veel gedruis terwijl zij leven, maar na een tijdje gaan zij naar de doden, en zo is er een einde aan al hun pracht en macht, dan zal er met hen afgerekend worden voor al hun onzinnigheden en hun geweld in de zonde. Hoewel aan deze zijde van de dood de rechtvaardigen en de goddelozen gelijk schijnen, zal er aan de andere zijde een zeer groot verschil tussen hen zijn.