Genesis 4:9-12
Wij hebben hier een volledig bericht van het verhoor en de veroordeling van de eerste moordenaar. Daar er toen nog niet, zoals later Hoofdstuk 9:6, een burgerlijke rechtspleging was ingesteld, zit God zelf als Rechter, want Hij is de God, wiens de wrake is, en die voorzeker een onderzoek zal instellen naar vergoten bloed inzonderheid naar dat van de heiligen:
Merk op.
1. De beschuldiging tegen Kaïn, De Heere zei tot Kaïn: Waar is Abel uw broeder? Sommigen denken, dat Kaïn aldus ondervraagd werd op de volgende sabbat na de moord, toen de kinderen Gods, als naar gewoonte, kwamen om zich voor de Heere te stellen, in Godsdienstige bijeenkomst en Abel, wiens plaats niet ledig placht te blijven, gemist werd, want de God des hemels neemt nota van wie tegenwoordig is bij, en wie afwezig is van de openbare Godsverering. Aan Kaïn wordt dit gevraagd, niet slechts omdat er gegronde reden was om hem te verdenken, daar hij kwaadwilligheid jegens Abel aan de dag had gelegd, en omdat hij het laatst met hem geweest was, maar omdat God wist, dat hij schuldig was. Toch ondervraagt Hij hem, ten einde een bekentenis uit te lokken van de misdaad, want zij, die voor God gerechtvaardigd willen worden, moeten zich zelf beschuldigen, en de boetvaardige zal dit ook doen.
II. Kaïns verdediging Hij verklaart zich onschuldig, en voegt aan zijn zonde nog rebellie toe. Want:
1. Hij tracht een opzettelijke moord te bedekken met een opzettelijke leugen: Ik weet het niet. Hij wist zeer wel wat er van Abel was geworden, en toch was hij onbeschaamd genoeg om het te ontkennen. Aldus was de duivel in Kaïn beide een moordenaar en een leugenaar van den beginne. Zie hoe het verstand van de zondaren verblind en hun hart verhard wordt door de bedrieglijkheid van de zonde. Diegenen zijn wel zeer blind, die het mogelijk achten hun zonden voor God te verbergen, voor God, die alles ziet, en diegenen zijn wel zeer hard, die het begeerlijk achten om ze te verbergen voor een God, die alleen aan hen, die hun zonden belijden, vergeving schenkt.
2. Onbeschaamd legt hij zijn Rechter dwaasheid en onrechtvaardigheid ten laste door Hem deze vraag te doen: Ben ik mijns broeders hoeder? Hij had zich moeten verootmoedigen en zeggen: Ben ik niet mijns broeders moordenaar? Maar hij vaart uit tegen God zelf, alsof Hij hem een onredelijke vraag had gedaan, waarop hij volkstrekt niet verplicht was te antwoorden. Ben ik mijns broeders hoeder? Hij is voorzeker oud genoeg om voor zich zelf te zorgen, en ik heb mij ook nooit met de zorg over hem belast. Sommigen denken, dat hij zich ongunstig uitlaat over God en Zijn voorzienigheid, alsof hij gezegd had: "Zijt Gij niet zijn Hoeder? Als hij vermist wordt, dan rust hiervoor de blaam niet op mij, maar op U, daar ik nooit op mij genomen heb om zijn hoeder te zijn." Een liefderijke zorg voor onze broeders, als hun broeders, is een dure plicht, die streng van ons geëist wordt, maar meestal door ons veronachtzaamd wordt. Zij, die onbekommerd zijn omtrent de zaken van hun broeders, zich geen moeite geven om, als zij er de gelegenheid toe hebben, schade of nadeel te voorkomen voor hun lichaam, hun bezitting, hun goede naam, inzonderheid voor hun ziel, spreken hiermede de taal van Kaïn. Zie Leviticus 19:17, Filippenzen 2:4. III. De schuldigverklaring van Kaïn, vers 10. God gaf geen direct antwoord op zijn vraag, maar wees zijn verdediging af als onwaar en kinderachtig. "Wat hebt gij gedaan? Gij gaat licht heen over de zaak, maar hebt gij bedacht hoe slecht de daad, hoe onuitwisbaar de vlek, hoe zwaar de last is van deze schuld? Gij denkt te kunnen verbergen wat gij gedaan hebt, maar te vergeefs, het getuigenis tegen u is duidelijk en onbetwistbaar, een stem van het bloed uws broeders roept." Hij spreekt alsof het bloed zelf zowel getuige als aanklager is, omdat Gods eigen kennis tegen hem getuigde, en Gods gerechtigheid voldoening eiste.
Merk hier op, dat:
1. Moord een schreeuwende zonde is, geen andere zonde is dit in meerdere mate. Bloed roept om bloed, het bloed van de vermoorde om het bloed van de moordenaar, het roept in de woorden die Zacharia sprak in zijn sterven: "De Heere zal het zien en zoeken," 2 Kronieken 24:22, of in die van de zielen onder het altaar. Openbaring 6:10 :"Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerser?" De geduldige lijders riepen om genade: Vader vergeef hun, maar zijn bloed roept om wraak. Zij zwijgen, maar hun bloed roept luid en aanhoudend, en het oor van de rechtvaardige God is altijd open voor dat geroep.
2. Van het bloed wordt gezegd, dat het roept van de aardbodem, waarvan in vers 11 gezegd wordt, dat het zijn mond heeft opengedaan om zijns broeders bloed van zijn hand te ontvangen. De aarde heeft als het ware, gebloosd, toen zij haar gelaat bevlekt zag met zulk bloed, en daarom opende zij haar mond teneinde datgene te verbergen, wat zij niet heeft kunnen verhinderen. Toen de hemel zijn ongerechtigheid openbaarde, heeft ook de aarde zich tegen hem opgemaakt, Job 20:27, en zuchtte zij, omdat zij aldus aan de ijdelheid onderworpen werd, Romeinen 8:20, 22. Kaïn heeft waarschijnlijk het bloed en het lichaam begraven, om zijn misdaad te verbergen, maar ook moord komt eindelijk uit. Hij heeft dit bloed niet zo diep begraven, of het geroep er van klom ten hemel op.
3. In het oorspronkelijke staat het woord in het meervoud, uws broeders bloeden, niet slechts zijn bloed, maar het bloed van allen die zijn nakomelingen hadden kunnen zijn. Of, het bloed van al het zaad van de vrouw, die evenzo de waarheid zullen bezegelen met hun bloed. Christus stelt het alles op een rekening, Mattheus 23:35. Of, omdat rekening werd gehouden van elke droppel bloed, die vergoten werd. Hoe goed is het voor ons, dat het bloed van Christus betere dingen spreekt dan Abel, Hebreeën 12:24. Abels bloed roept om wraak, Christus' bloed roept om vergeving.
IV. Het vonnis uitgesproken over Kaïn. En nu zijt gij vervloekt van de aardbodem, vers 11.
Merk hier op:
1. Hij is vervloekt, afgezonderd voor alle kwaad, onder de toorn Gods gelegd, gelijk hij is geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, Romeinen 1:18. Wie kent de uitgestrektheid en het gewicht van een vloek Gods, hoe ver hij reikt, hoe diep hij doordringt? Gods zeggen, dat een mens vervloekt is, maakt hem vervloekt, want die Hij vervloekt, zijn in waarheid vervloekt. De vloek wegens Adams ongehoorzaamheid eindigde in de aarde, vervloekt zij het aardrijk om uwentwil, maar die voor Kaïns rebellie viel onmiddellijk op hem zelf: Gij zijt vervloekt, want God had genade weggelegd voor Adam, maar niet voor Kaïn. Wij allen hebben deze vloek verdiend, en het is alleen in Christus, dat de gelovigen er van verlost worden, en de zegen beërven, Galaten 3:10, 13. 2. Hij is vervloekt van de aardbodem. Vandaar is het geroep opgegaan tot God, vandaar kwam de vloek neer op Kaïn. God zou wraak hebben kunnen doen door een onmiddellijke slag van de hemel, door het zwaard van een engel, of door een bliksemschicht, maar Hij wilde de aarde tot wreekster maken van het bloed, hem op de aarde laten blijven, en hem niet terstond afsnijden, maar dit zelfs tot een vloek voor hem doen zijn. De aarde is ons altijd nabij, wij kunnen er niet aan ontvlieden, zodat, indien deze de uitvoerster is van de Goddelijke toorn zij onvermijdbaar is, het is de zonde, dat is de straf van de zonde! die aan de deur ligt. Kaïn vond zijn straf daar, waar hij zijn deel verkoos te hebben, en waar hij zijn hart op had gezet.
Van de aarde verwachten wij twee dingen, en door deze vloek zijn beide aan Kaïn ontzegd, onderhoud en vestiging.
a. Het onderhoud uit de aarde wordt hem hier onthouden. Het is een vloek over hem in zijn genietingen, inzonderheid in zijn beroep. Als gij de aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven. Elk schepsel is voor ons wat God het doet zijn, een liefelijkheid of een kruis, een zegen of een vloek. Indien de aarde ons haar vermogen niet geeft, dan moeten wij daarin Gods rechtvaardigheid erkennen, want wij hebben Hem ons vermogen niet gegeven. Het aardrijk was te voren voor Adam vervloekt, maar voor Kaïn was het nu dubbel vervloekt. Dat gedeelte er van, dat hem ten deel viel, en dat hij in bezit had, werd onvruchtbaar voor hem gemaakt en onaangenaam door het bloed van Abel. De goddeloosheid van de goddelozen brengt een vloek op alles wat zij doen, en alles wat zij hebben, Deuteronomium 28:15, en verv, die vloek vergalt alles wat zij hebben, en stelt hen te leur in alles wat zij doen.
b. Er wordt hem hier vestiging op de aarde ontzegd. Gij zult zwervende en dolende zijn op aarde. Hierdoor was hij veroordeeld:
a. Tot eeuwigdurende versmaadheid onder de mensen. Het zal altijd voor iets schandelijks gehouden worden hem te herbergen, met hem te spreken, of hem enigerlei gunst te betonen. En volkomen terecht werd een man, die alle menselijkheid had uitgeschud, door geheel het mensdom verafschuwd en verlaten, en eerloos verklaard.
b. Tot eeuwige onrust en afgrijzen in zijn eigen gemoed. Zijn eigen schuldig geweten zal hem overal vervolgen, waar hij heen gaat, en hem tot een "Magor-missabib, een schrik van rondom" maken. Welke rust kunnen diegenen vinden, welke vestiging, die hun eigen ontroering en verstoring met zich omdragen, waarheen zij zich ook wenden? Zij, die aldus heen en weer gedreven worden, moeten wel zwervers zijn. Er is geen meer rusteloos zwerver op de aarde, dan hij, die door zijn eigen zonde en schuld wordt vervolgd, geen lager landloper, dan hij, die de slaaf is van zijn lusten.
Dit was het vonnis, uitgesproken over Kaïn en zelfs daarmee is nog barmhartigheid gemengd, in zover hij niet terstond afgesneden werd, maar nog tijd had om zich te bekeren, want God is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan.