Genesis 49:1-4
I. Wij hebben hier de inleiding tot de profetie, waarin,
1. De vergadering samengeroepen wordt vers 2. Komt tezamen. Laat hen allen van hun bezigheden geroepen worden om hun vader te zien sterven en de woorden aan te horen, die hij met stervende lippen zal uitspreken. Het was troostrijk voor Jakob, om, nu hij ging sterven, al zijn kinderen om zich heen te zien, zonder dat er één gemist werd, hoewel hij soms gedacht heeft, dat hij van kinderen beroofd was. Het was hun nuttig bij hem te zijn in zijn laatste ogenblikken, ten einde van hem te leren hoe te sterven, zowel als hoe te leven. Wat hij tot ieder van hun zei, konden allen horen, want met de bestraffingen, de raad en de vertroosting, die in de eerste plaats voor anderen bestemd zijn, kunnen wij ook voor onszelf ons voordeel doen. Dat hij hen eens en nogmaals oproept om samen te komen, was een gebod aan hen om verenigd te zijn in liefde, zich aan elkaar te houden, zich niet te vermengen met de Egyptenaren, hun onderlinge bijeenkomsten niet na te laten, en tevens een voorzegging, dat zij niet van elkaar gescheiden zouden worden, zoals de zonen van Abraham en van Izak van elkaar gescheiden zijn, maar tezamen verenigd één volk zouden uitmaken.
2. Hij geeft een algemeen denkbeeld van de rede, die hij voornemens is uit te spreken, vers 1. "ik zal u verkondigen hetgeen u wedervaren zal." (niet aan u persoonlijk, maar aan uw nakomelingen) in de navolgende dagen. Deze voorzegging zal nuttig wezen voor hen, die na hen komen zullen, voor de bevestiging van hun geloof en hun besturing op de weg bij hun terugkeer naar Kanaän en hun vestiging aldaar. Wij kunnen onze kinderen niet zeggen wat zij of hun geslacht in deze wereld meemaken zullen, maar naar het woord Gods kunnen wij hun wèl zeggen wat hun in de laatste dag ervaren zal, naar zij zich in deze wereld gedragen hebben.
3. Hij eist hun aandacht vers 2. "hoort naar Israël, uw vader. Laat Israël, die overmocht heeft bij God, overmogen bij u." Kinderen moeten aandachtig horen naar wat hun Godvruchtige ouders zeggen, zeker als zij stervende zijn, Hoort, gij kinderen, de tucht van de vaders, waarin zowel gezag als liefde is gelegen, Spreuken 4:1.
II. De profetie betreffende Ruben, hij begint met hem, vers 3, 4. Hij was de eerstgeborene, maar door ontucht te bedrijven met de vrouw van zijn vader tot grote schande van de familie, waarvan hij het sieraad had behoren te wezen, dat heeft hem de voorrechten van zijn geboorte doen verbeuren, en op plechtige wijze degradeert zijn stervende vader hem hier, hoewel hij hem noch verloochent, noch onterft. Hij zal al de rechten hebben van een zoon, maar niet de voorrechten van een eerstgeboren zoon. Wij hebben reden te denken, dat Ruben berouw heeft gehad van zijn zonde, en zij was hem vergeven maar het was een noodzakelijke daad van gerechtigheid om, in verfoeiing van die eerloze daad en ter waarschuwing van anderen, hem dit merk van de schande in te drukken. Naar de methode nu van de degradatie:
1. Doet Jakob hem de versierselen aan van het geboorterecht, vers 3, opdat hij en al zijn broeders zien zouden wat hij had verbeurd, en daarin het kwaad zouden zien van de zonde. Als eerstgeborene was hij de vreugde van zijn vader, bijna heel zijn trots, daar hij het begin was zijn macht. Hoe welkom hij was aan zijn ouders wordt aangeduid door zijn naam, Ruben, zie, een zoon. Hem behoorde de voortreffelijkheid in hoogheid boven zijn broeders, ook met enige macht over hen. Christus Jezus is de eerstgeborene onder vele broeders, en Hem behoort naar recht de voortreffelijkheid in macht en hoogheid, door Hem is ook Zijn kerk een kerk van de eerstgeborenen. 2. Daarna ontneemt hij hem deze versierselen, vers 4. Hij heft hem op, ten einde hem neer te werpen door dat woord: "gij zult de voortreffelijkste niet zijn, gij zult wel als stam bestaan, maar niet voortreffelijk zijn", geen rechter, profeet of vorst is uit die stam voortgekomen, geen persoon van naam, behalve Dathan en Abiram, die berucht werden vanwege hun goddeloze rebellie tegen Mozes. Naar geen voortreffelijkheid strevende, heeft die stam zich een vestiging aan geen zijde van de Jordaan gekozen. Ruben zelf scheen al de invloed op zijn broeders verloren te hebben waarop zijn geboorte hem recht gaf want als hij tot hen sprak wilden zij niet horen. Genesis 42:22. Zij, die het verstand en de kracht missen om de eer en de voorrechten van hun geboorte hoog te houden, zullen ze spoedig verliezen, en er alleen de naam van behouden. De hoedanigheid van karakter, die aan Ruben hier wordt toegeschreven, waarvoor hem dit merk van de eerloosheid is ingedrukt, is dat hij onvast is als water.
a. Zijn deugd was onvast, hij kon zichzelf niet regeren, zijn lusten niet bedwingen, soms kon hij zich zeer ordelijk en goed gedragen, maar op andere tijden verviel hij tot de grootste ondeugden. Onvastheid is het verderf van de mensen hun voortreffelijkheid. De mensen hebben geen voorspoed omdat zij geen vastheid hebben.
b. Daarom was ook zijn eer onvast zij ging van hem heen, ging op in damp, en werd als water dat op de grond is uitgestort. Zij, die hun deugd wegwerpen, moeten niet verwachten hun eer of goede naam te behouden. Jakob legt hem speciaal die zonde ten laste, om welke hij aldus onteerd werd, "gij hebt uw vaders legerstede beklommen." Het was veertig jaren geleden, dat hij die zonde had bedreven, en nu wordt zij tegen hem herdacht. Evenals de tijd in zichzelf de schuld van geen zonde kan uitdelgen uit de consciëntie, zo zijn er sommige zonden, wier vlekken er niet door afgewist worden van een goede naam, speciaal zonden tegen het zevende gebod. Rubens liet een onuitwisbare vlek van schande op de familie, die schande was een wond, die niet geheeld kon worden zonder litteken achter te laten Spreuken 6:32, 33. Laat ons nooit kwaad doen dan behoeven wij niet te vrezen dat het ons gezegd zal worden.