Genesis 46:5-27
De bejaarde Jakob is hier aan het verhuizen, weinig heeft hij gedacht ooit Kanaän te zullen verlaten, hij verwachtte ongetwijfeld in zijn nest de geest te geven, en zijn zaad in het dadelijk bezit van het beloofde land te zullen laten, maar Gods voorzienigheid heeft het anders beschikt. Zij, die denken wèl gevestigd te zijn kunnen in weinig tijd van de plaats van hun vestiging verwijderd worden, zelfs oude lieden die aan geen andere verhuizing denken dan aan de verhuizing naar het graf (waar Jakob zozeer zijn hart op had gezet, Hoofdstuk 37:35, 42:38.) kunnen nog grote veranderingen beleven in hun gezin. Het is goed om bereid te zijn, niet slechts voor het graf, maar voor alles wat tussen ons en het graf gebeuren kan.
Merk op:
I. Hoe Jakob vervoerd werd, niet in een koets, hoewel die toen reeds in gebruik was, maar in een wagen, vers 5. Jakob was een eenvoudig man, die op geen pracht of statigheid gesteld was, zijn zoon reed in een staatsiewagen, Hoofdstuk 41:43, maar hem was een gewone wagen voldoende.
II. Het vervoer van hetgeen hij had.
1. Zijn have, vers 6, zijn vee en zijn have, dit nam hij mee, teneinde voor zijn onderhoud niet geheel en al van Farao afhankelijk te zijn, en niet later van hen gezegd zou kunnen worden, dat zij als bedelaars naar Egypte gekomen zijn.
2. Zijn gezin, al zijn zaad, vers 7. Waarschijnlijk waren zij allen bij hun vader blijven wonen, en daarom zijn zij, toen hij heenging, ook heengegaan, waartoe zij wellicht te meer bereid waren, omdat, hoewel zij hadden gehoord dat het land Kanaän hun beloofd was, zij er echter tot nu toe niets van in bezit hadden. Wij hebben hier een nauwkeurige opgaaf van de namen van Jakob's kinderen, zijn zonen en de zonen van zijn zonen, die later als hoofden van geslachten in de verschillende stammen vermeld zullen worden. Zie Numeri 26:5. en verv. Bisschop Patrick merkt op dat Issaschar zijn oudste zoon Tola noemde, hetgeen worm betekent, waarschijnlijk omdat hij, toen hij geboren werd, een zeer klein, zwak kind was, een worm en geen man, die waarschijnlijk wel niet in het leven zou blijven. en toch is er een talrijk nakomelingschap uit hem voortgekomen, 1 Kronieken 7:2. Noch het leven, noch het sterven komt altijd overeen met hetgeen wij waarschijnlijk achten. Het gehele getal, dat naar Egypte aftoog, was zes en zestig, vers 26, waarbij Jozef en zijn twee zonen, die er reeds waren, en Jakob zelf, het hoofd van het gezin, gevoegd moeten worden, en dan hebben wij het volledig getal van zeventig zielen vers 27. De "zeventig" geven het getal op van vijf en zeventig en Stefanus volgt hen hierin, Handelingen 7:14. De reden hiervoor laten wij over aan de gissing van de critici, maar laat ons opmerken:
a. Dat hoofden van gezinnen voor allen hebben te zorgen, die tot hun huis behoren, hen moeten voorzien van het brood huns bescheiden deels, geschikte spijze beide voor lichaam en ziel. Toen Jakob zelf heenging naar een land van overvloed, wilde hij geen van zijn kinderen in het onvruchtbare land achterlaten om er van honger om te komen.
3. Hoewel de vervulling van de beloften altijd zeker is, duurt het toch dikwijls lang eer zij komt. Het was nu al tweehonderdvijftien jaren geleden sedert God aan Abraham beloofde hem tot een groot volk te zullen maken, Hoofdstuk 12:2, en toch was die tak van zijn geslacht, waarop de belofte overging, nog slechts tot een getal van zeventig personen aangegroeid, waarmee hier zo bijzonder rekening wordt gehouden, opdat Gods macht, die deze zeventig tot een zo grote menigte heeft doen worden zelfs in Egypte zoveel heerlijker zou uitkomen. Als het Hem behaagt, dan zal "de kleinste tot duizend worden," Jesaja 60:22.