Genesis 46:28-34
I. Wij hebben hier de blijde ontmoeting tussen Jakob en zijn zoon Jozef, waarin wij hebben op te merken:
1. Jakob's wijsheid in zijn vooruit zenden van Juda naar Jozef om hem zijn aankomst in Gosen te berichten. Dit was een eerbiedsbetuiging aan de regering, onder wier bescherming deze vreemdelingen zich kwamen stellen, vers 28. Wij moeten zeer zorgvuldig vermijden om aan iemand, wie het ook zij, maar vooral aan de hogere machten, aanstoot te geven.
2. Jozefs kinderlijke eerbied voor hem. Hij ging hem in zijn karos tegemoet, en bij het onderhoud met hem toonde hij:
a. Hoezeer hij hem eerde, hij vertoonde zich aan hem. Het is de plicht van de kinderen hun ouders te eren, ook wanneer zij, in uiterlijke omstandigheden, door de leiding van Gods voorzienigheid boven hen geplaatst zijn.
b. Hoezeer hij hem liefhad. De tijd heeft het gevoel van de verplichting, die hij aan hem had, niet uitgewist, maar de overvloedige tranen die hij weende aan zijn hals, tranen van blijdschap van hem te zien, waren echte blijken van de oprechte en sterke genegenheid, die hij voor hem had. Zie hoe dicht bij elkaar smart en vreugde zijn in deze wereld, als tranen dienen om aan die beide uiting te geven, in de andere wereld zal wenen alleen tot smart beperkt zijn, in de hemel is er volmaakte blijdschap, daar zijn geen tranen van blijdschap, alle tranen, zelfs deze, zullen daar afgewist zijn, omdat daar de vreugde, zoals geen vreugde hier op aarde, onvermengd is. Er is opgemerkt van Jozef, toen hij Benjamin omhelsde, dat hij weende, maar toen hij zijn vader omhelsde, heeft hij lang aan zijn hals geweend, zijn broeder Benjamin was hem dierbaar, maar zijn vader Jakob is hem dierbaarder.
3. Jakob's grote voldoening in dit weerzien, vers 30. Dat ik nu sterve. Niet, dat het niet begerenswaardig voor hem was om met Jozef te leven, zijn eer te zien, er getuige van te zijn hoe nuttig hij was, maar hij smaakte zo'n voldoening en genot in dit eerste weerzien, dat hij dacht dat het te veel was om in deze wereld nog meer te begeren of te verwachten, waar onze genietingen toch altijd onvolmaakt moeten zijn. Jakob wenste onmiddellijk te sterven, en toch leefde hij nog zeventien jaren, hetgeen, naar verhouding van ons leven tegenwoordig, een aanzienlijk deel is van eens mensen leeftijd. De dood komt niet altijd wanneer wij hem roepen, hetzij in een uitbarsting van smart of van blijdschap. Onze tijden zijn in Gods hand, en niet in onze hand, wij moeten sterven als het Gode behaagt, en niet juist wanneer wij oververzadigd zijn van de genietingen des levens, of overstelpt zijn door de smart ervan.
II. Wij zien hier Jozefs verstandige zorg voor de vestiging van zijn broeders. Het was recht tegenover Farao om hem te doen weten welk een kolonie zich in zijn gebied kwam vestigen. Als anderen vertrouwen in ons stellen, dan moeten wij niet zo laag en onoprecht zijn, om misbruik te maken van hun vertrouwen en hen te bedriegen. Als Jakob en zijn familie ten laste van de Egyptenaren komen, dan moet toch niet gezegd kunnen worden, dat zij heimelijk of tersluiks gekomen zijn. Dus heeft Jozef zorgvuldig zijn eerbied betoond aan Farao vers 31. Maar hoe zal hij nu met zijn broeders doen? Er was een tijd, toen zij samen beraadslaagden om zich van hem te ontdoen, nu beraamt hij het plan om hen naar hun genoegen en tot hun voordeel te vestigen, dat is kwaad met goed vergelden. 1. Hij wilde hen op zichzelf doen wonen, zoveel mogelijk afgezonderd van de Egyptenaren, in het land Gosen, dat het dichtst bij Kanaän lag, en dat misschien minder bevolkt was door de Egyptenaren, maar wèl voorzien van weiden voor vee. Hij wenste hen afzonderlijk te laten wonen, ten einde minder in gevaar te zijn, zowel van aangestoken te worden door de ondeugden van de Egyptenaren, als van gekweld te worden door de boosaardigheid van de Egyptenaren. Schaapherders schenen de Egyptenaren een gruwel te zijn, dat is: zij zagen met verachting op hen neer, achtten het beneden zich om met hen om te gaan, en hij wilde zijn broeders niet naar Egypte laten komen om er vertreden te worden. En toch:
2. Wilde hij dat zij schaapherders zouden blijven, en zich dit hun beroep niet zouden schamen voor Farao. Hij kon hen onder zijn bestuur in de korenhandel gebruikt hebben, of wellicht door zijn invloed op de koning posten voor hen verkregen hebben aan het hof, of in het leger, en sommigen van hen tenminste waren bekwaam genoeg, maar zulk een bevordering zou hen aan de afgunst van de Egyptenaren hebben blootgesteld, en voor hen een verzoeking geweest zijn om Kanaän te vergeten en de belofte gedaan aan hun vaderen, daarom schikt hij het zo, dat zij hun oud beroep blijven uitoefenen. Een eerlijk beroep verlaagt de mens niet, en dit behoren wij ook noch voor onszelf, noch voor onze bloedverwanten te denken, maar het veeleer een schande te achten lui en ledig te zijn, of niets te doen te hebben. In het algemeen is het het beste voor de mensen om te blijven bij het beroep, waarin zij opgeleid zijn, en waaraan zij gewoon zijn, 1 Corinthiërs 7:24. Laat ons ons schikken naar het beroep en de staat, waarin wij door Gods voorzienigheid geplaatst zijn, er mee tevreden zijn, en niet trachten naar hoge dingen. Het is beter een eer te wezen voor een lage plaats, dan een schande te zijn voor een hoog ambt.