Genesis 45:16-24
I. Wij hebben hier Farao's vriendelijkheid voor Jozef, en voor zijn bloedverwanten om zijnentwil. Hij heette zijn broers welkom vers 16, hoewel het een tijd was van schaarste, en zij waarschijnlijk te zijnen laste zouden komen. En omdat het goed was in de ogen van Farao, was het ook goed in de ogen van zijn knechten, zij gaven tenminste voor, dat zij het goedvonden, omdat Farao het goedvond. Hij gelastte Jozef zijn vader naar Egypte te laten halen, en beloofde hen te voorzien van alle benodigdheden voor de reis en voor zijn vestiging in Egypte. Indien het beste van heel Egypteland (en Egypte was, dank zij Jozef onder God, beter voorzien dan alle andere landen) genoeg voor hem was, dan was het alles tot zijn dienst, zelfs het vette van het land, vers 18, zodat zij zich niet om hun huisraad behoefden te bekommeren, vers 20. In vergelijking met hetgeen hij voor hen had in Egypte, achtte hij hetgeen zij in Kanaän bezaten van weinig belang, en daarom moeten zij er zich niet om bekommeren, indien zij daar iets van moesten achterlaten, er was in Egypte genoeg, om hun alle verlies te vergoeden. Zo moeten ook zij, voor wie Christus delen bestemd heeft in Zijn hemelse heerlijkheid, zich niet om het goed van deze wereld bekommeren, het beste daarvan is slechts huisraad van weinig belang, rommel, zolang wij hier zijn kunnen wij er niet zeker van wezen, en nog veel minder kunnen wij het meenemen als wij deze wereld verlaten, laat ons er dan ook niet bezorgd om wezen, noch er ons hart op stellen, er zijn betere dingen voor ons weggelegd in het gezegende land, waar onze Jozef heengegaan is, om er ons een plaats in te bereiden.
II. De vriendelijkheid van Jozef voor zijn vader en zijn broers. Farao betoonde eerbied voor Jozef, in dankbare erkentenis dat hij het middel is geweest voor veel goeds voor hem en zijn rijk, daar hij hen niet alleen bewaard had van in de algemene ramp te delen, maar hen van groot belang had gemaakt onder andere volken, want al hun naburen zouden zeggen: "Voorzeker zijn de Egyptenaren een wijs en verstandig volk, daar zij in de tijd van de honger zo goed voorzien zijn. Daarom achtte Farao niets te veel wat hij voor Jozef doen kon. Er is een dankbaarheid, die men zelfs aan minderen verschuldigd is, en als iemand ons vriendelijkheid betoond heeft, dan behoren wij er ons op toe te leggen om het hem te vergelden, en niet alleen aan hem, maar ook aan de zijnen. En Jozef betoonde ook eerbied aan zijn vader en zijn broers, omdat zij zijn naaste bloedverwanten waren, al waren zijn broers zijn vijanden geweest, en al was zijn vader ook lang van hem vervreemd.
1. Hij voorzag hen van het benodigde, vers 21. Hij gaf hun wagens en leeftocht, voor de heen- en de terugreis, want wij hebben nooit gezien dat Jakob zeer rijk was, en toen de hongersnood heerste, kunnen wij ons wel voorstellen dat hij veeleer arm was.
2. Hij gaf hun ook hetgeen hun tot genot en sieraad was. Hij gaf aan ieder van hen wisselklederen, aan Benjamin gaf hij er vijf, en daarenboven nog zakgeld, vers 22. Aan zijn vader zond hij een zeer schoon geschenk van Egyptische voortbrengselen, vers 23. Wie rijk is, behoort vrijgevig te zijn, milddadigheden te beraadslagen, waarvoor is overvloed anders goed, dan om er goed mee te doen?
3. Hij zond hen weg met een gepaste waarschuwing, vers 24. Verstoort u niet op de weg. Hij wist dat zij maar al te geneigd waren tot twisten, en de laatste gebeurtenissen, die de herinnering opwekten aan hetgeen zij voorheen tegen hun broer gedaan hadden, zouden hun een aanleiding kunnen wezen tot twisten. Jozef had reeds opgemerkt dat zij er over twistten, Hoofdstuk 42:22. Tot de een zouden zij zeggen: "Gij was het, die hem het eerst om zijn dromen bestraft hebt", tot een ander: "Gij zijt het geweest, die zei: Laat ons hem doden", tot een ander: "Gij hebt hem zijn veelvervige rok ontnomen", tot een ander: "Gij waart het, die hem in de kuil hebt geworpen", enz. Daar nu Jozef hun allen vergiffenis had geschonken, legt hij hun de verplichting op elkaar geen verwijten te doen. Onze Heer Jezus heeft ons dit gebod gegeven, dat wij elkaar liefhebben, dat wij in vrede zullen leven, en dat, wat er ook zal gebeuren, of welke vroegere gebeurtenissen wij ook gedenken, wij ons niet zullen verstoren. Want:
a. Wij zijn broers, wij hebben allen één Vader.
b. Wij zijn Zijn broeders, en als wij ons verstoren, maken wij onze betrekking te schande tot Hem die onze vrede is.
c. Wij zijn schuldig, ja voorwaar schuldig, en wij hebben alle reden om, in plaats van met elkaar te twisten, verstoord te zijn op onszelf.
d. Wij hebben, of hopen te hebben, vergeving ontvangen van God, tegen wie wij allen misdreven hebben, en daarom moeten wij bereid zijn elkaar vergeving te schenken.
e. Wij zijn op de weg, een weg, die door het land van Egypte loopt, waar veler ogen op ons gericht zijn, die wel graag gelegenheid tegen ons zouden zoeken, een weg, die heenvoert naar Kanaän, waar wij voor altijd volkomen vrede hopen te hebben.