Genesis 44:1-17
I. Jozef betoont zijn broers nog meer vriendelijkheid, vult hun zakken, geeft hun hun geld terug, en zendt hen heen vol van blijdschap, maar:
II. Stelt hen nog verder op de proef. Aldus verootmoedigt onze God hen, die Hij lief heeft overlaadt hen met weldaden. Jozef gaf bevel aan zijn hofmeester om een fraaie zilveren beker die hij had, (en die waarschijnlijk aan tafel gebruikt werd, toen zij het middagmaal bij hem hielden) boven in de zak van Benjamin te leggen, zodat het de schijn zou hebben, alsof hij hem van tafel gestolen had en hem zelf in zijn zak had gedaan, nadat hem zijn koren was overgeleverd. Indien Benjamin hem gestolen had, dan zou dit wel een daad van de laagste oneerlijkheid en ondankbaarheid geweest zijn en indien Jozef door bevel te geven hem in de zak te leggen, werkelijk bedoeld had hem van diefstal te beschuldigen, dan zou dit een daad van de gruwelijkste wreedheid in hem geweest zijn, maar in de uitkomst bleek het, dat van beide zijden kwaad gedaan noch bedoeld was.
Merk op:
1. Hoe de voorgewende misdadigers achterna gejaagd en aangehouden werden onder verdenking van een zilveren beker te hebben gestolen. De hofmeester beschuldigde hen van ondankbaarheid, kwaad voor goed te hebben vergolden, van dwaasheid of domheid door een beker weg te nemen, die in dagelijks gebruik was, en dus spoedig gemist zou worden, en waarnaar een naarstig onderzoek zou worden ingesteld, want vers 5 zou aldus gelezen kunnen worden is deze het niet waar mijn heer uit drinkt, ( daar hij er een bijzondere voorliefde voor heeft) en waarnaar hij een grondig onderzoek zou instellen. Of, "waardoor hij, door hem achteloos op uw tafel te laten, zou zien of gij al of niet eerlijke lieden zijt?"
2. Hoe zij voor zichzelf pleitten, plechtig betuigden zij hun onschuld en hun afschuw van zo'n laaghartige daad, vers 7, voerden als een bewijs van hun eerlijkheid aan, dat zij het geld hadden teruggebracht, vers 8, en verklaarden zich aan de zwaarste straf te willen onderwerpen, indien zij schuldig bevonden werden, vers 9, 10.
3. Hoe de diefstal Benjamin werd aangewreven. In zijn zak werd de beker gevonden, terwijl Jozef hem inzonderheid grote vriendelijkheid had betoond. Benjamin was ongetwijfeld bereid onder ede te verklaren, dat hij de beker niet genomen had, maar het is tevergeefs tegenover zo stellige bewijzen zijn onschuld te betuigen, de beker is bij hem gevonden. Zij durven aan Jozefs rechtvaardigheid niet te twijfelen, zij durven niet eens het denkbeeld opperen, dat hij, die het geld in hun zakken had gelegd, er ook de beker had verborgen, maar zij roepen Jozefs barmhartigheid in. En:
4. Zij bieden hun nederige onderwerping aan, vers 16.
A. Zij erkennen de gerechtigheid Gods, God heeft de ongerechtigheid van uw knechten gevonden, wellicht doelende op het kwaad, dat zij tevoren Jozef hadden aangedaan, en waarvoor God nu, naar zij dachten, met hen afrekende. Zelfs in die beproevingen, waarin wij ons verongelijkt zien door mensen, moeten wij erkennen dat God rechtvaardig is, en onze ongerechtigheid heeft gevonden. B. Zij geven zich aan Jozef over als gevangenen. Wij zijn de slaven van Uw heer. Nu zijn de dromen van Jozef ten volle uitgekomen, hun zich zo herhaaldelijk voor hem ter aarde buigen, hun neigen van het hoofd, kan beschouwd worden als niets meer dan een plichtpleging te zijn, niets meer dan wat andere vreemdelingen deden, maar de uitlegging, die zij zelf in hun hoogmoed aan zijn dromen hadden gegeven, was: Zult gij dan helemaal over ons heersen? Hoofdstuk 37:8. En in die zin zijn zij nu ten slotte vervuld: zij erkennen zich zijn vazallen, daar zij het in die hatelijker zin verstaan, zo zal het ook in die zin vervuld worden in hen.
5. Met een schijn van rechtvaardigheid doet Jozef uitspraak, en bepaalt dat Benjamin als slaaf zou achterblijven, en de overigen ontslagen zouden worden, immers: waarom zou iemand anders dan de schuldige gestraft worden? Misschien heeft Jozef hiermede Benjamins karakter op de proef willen stellen, willen zien, of hij zo'n verdrukking met kalmte van gemoed zou kunnen dragen, als aan een wijs en godvruchtig man betaamt, of hij wezenlijk zijn eigen broer was naar de geest, zowel als in bloed, want Jozef zelf is ook vals beschuldigd geworden en had dientengevolge verdrukking te lijden, terwijl hij toch zijn ziel in zijn lijdzaamheid heeft bezeten. Hoe dit zij, duidelijk is het, dat hij de genegenheid van zijn broers voor hem en voor hun vader op de proef wilde stellen. Indien zij tevreden waren heengegaan en Benjamin in slavernij hadden achtergelaten, dan zou Jozef hem ongetwijfeld terstond bevrijd en verhoogd hebben, en aan Jakob bericht hebben gezonden, terwijl hij dan de andere broeders aan de hardheid van hun hart zou hebben overgelaten, maar zij bleken Benjamin meer welgezind te wezen dan hij vermoedde. Wij kunnen niet oordelen over hetgeen de mensen zijn naar hetgeen zij vroeger geweest zijn, noch over hetgeen zij zullen doen naar hetgeen zij gedaan hebben, door leeftijd en ervaring kunnen de mensen beter en wijzer worden. Zij, die Jozef hadden verkocht, wilden nu Benjamin niet verlaten, zelfs de slechtste kunnen mettertijd beter worden.