Genesis 42:1-6
Hoewel Jakob's zonen allen gehuwd waren en zelf gezinnen hadden, schijnen zij toch tezamen een maatschappij te hebben uitgemaakt onder leiding en bestuur van hun vader Jakob. Wij hebben hier:
I. De orders, die hij hun gaf om koren te gaan kopen in Egypte, vers 1, 2.
Merk op:
1. Dat de honger zwaar was in het land Kanaän. Het is opmerkelijk dat alle drie aartsvaders, voor wie Kanaän het land der belofte was, een hongersnood in dat land beleefd hebben. Het was niet slechts een beproeving van hun geloof, of zij op God konden vertrouwen, al zou Hij hen ook doden, of al zou Hij hen ook laten omkomen van honger, maar het was ook om hen te leren het betere vaderland te zoeken, namelijk het hemelse, Hebreeën 11:14-16. Wij hebben behoefte aan iets, dat ons losmaakt van deze wereld en ons doet verlangen naar een betere.
2. Maar toen er honger was in Kanaän, was er koren in Egypte. Zo heeft Gods voorzienigheid het beschikt, dat de ene plaats hulp kan bieden aan de andere, want wij zijn allen broeders. De Egyptenaren, het zaad van de gevloekte Cham, hebben overvloed, terwijl Gods gezegend Israël gebrek heeft. Aldus kruist God, in het uitdelen van Zijn gewone gunsten dikwijls de handen. Let er echter op, dat de overvloed, die de Egyptenaren nu hadden onder God, aan Jozefs wijsheid en zorg te danken was. Indien zijn broeders hem niet naar Egypte verkocht hadden, maar hem naar zijn verdienste hadden geacht en gewaardeerd, wie weet, of hij dan niet voor Jakob's gezin hetzelfde gedaan zou kunnen hebben, wat hij nu voor Farao gedaan heeft, en dan zouden de Egyptenaren tot hen gekomen zijn om koren te kopen, maar zij, die wijze en Godvruchtige mensen van zich wegdrijven, weten niet wat zij doen.
3. Jakob zag dat er koren was in Egypte, hij zag het koren, dat zijn naburen er gekocht hadden en thuis hadden gebracht. Het is een aansporing om te doen wat wij kunnen als wij zien wat anderen hebben, en hoe er in hun behoeften voorzien is. Zullen anderen voedsel verkrijgen voor hun zielen, en zullen wij hongeren, als het toch ook voor ons te krijgen is?
4. Hij bestrafte zijn zonen wegens hun talmen om koren voor hun gezin te gaan kopen. Waarom ziet gij op elkaar? Als wij in nood zijn en gebrek hebben, dan doen wij dwaas, als wij elkaar staan aan te zien, dat is wanhopend en vertwijfelend staan, alsof er geen hoop is, geen hulp, staan te twisten, hetzij over de vraag wie de eer zal hebben het eerst te gaan, of aan wie de veiligheid ten deel zal vallen van het laatst te komen, te redeneren over hetgeen wij zullen doen, en niets te doen, te blijven dromen onder een geest van sluimering, alsof wij niets te doen hadden, en te staan talmen, alsof wij tijd in overvloed hadden. Laat er nooit gezegd worden: "Wij hebben voor morgen overgelaten, wat wij even goed vandaag hadden kunnen doen."
5. Hij wekte hen op om naar Egypte te gaan: Trekt daarheen af. Hoofden van gezinnen moeten niet slechts bidden om dagelijks brood voor hun gezin, zij moeten ook zorg en vlijt aanwenden om het te verschaffen.
II. Hun gehoorzaamheid aan deze bevelen, vers 3. Zij togen af om koren te kopen. Zij zonden hun dienstknechten niet, maar gingen wijs zelf om hun geld te besteden. Niemand moet zich te groot of te goed achten om zich moeite te geven. Hoofden van gezinnen moeten met eigen ogen zien, en er zich voor wachten om al te veel aan dienstboden over te laten. Benjamin alleen ging niet mee, want hij was de lieveling van zijn vader. Zij kwamen naar Egypte, onder anderen, en daar zij een aanzienlijke hoeveelheid koren moesten kopen werden zij tot Jozef zelf gebracht, die waarschijnlijk wel verwacht heeft, dat zij zouden komen, en, naar de wetten der beleefdheid bogen zij zich voor hem, vers 6. Nu hebben hun ledige schoven zich voor zijn volle schoof gebogen. Vergelijk hiermede Jesaja 60:13, en Openbaring 3:9.