Genesis 39:7-12
Hier is:
I. Een allerschandelijkst voorbeeld van schaamteloze oneerbaarheid van Jozefs meesteres, de schande en smaad van haar sekse, die alle eer en deugd had afgelegd, en die niet dan met de uiterste verontwaardiging genoemd of herdacht kan worden. Het was goed, dat zij een Egyptische was, want wij zouden in de beschaamdheid hebben moeten delen, indien zulk een dwaasheid in Israël gevonden ware.
Merk op:
1. Haar zonde begon met het oog, zij wierp haar ogen op Jozef, vers 7, die schoon van gedaante en schoon van aangezicht was, vers 6. Grote schoonheid, hetzij in man of vrouw, blijkt dikwijls een gevaarlijke strik voor henzelf en voor anderen, die de trots er op verbiedt en voortdurende waakzaamheid gebiedt tegen de verzoeking, waarvan zij vergezeld gaat, bevalligheid is bedrog, dat is: bedrieglijk. Het is voor ons zeer nodig een verbond te maken met onze ogen, Job 31:1, opdat het oog het hart niet aansteke. Jozefs meesteres had een echtgenoot, die voor haar een deksel der ogen behoorde te wezen, voor alle anderen, Hoofdstuk 20:16.
2. Zij was vermetel en schaamteloos in de zonde, met schaamteloos gelaat en een hoerenvoorhoofd zei zij: Lig bij mij, terwijl zij door haar ontuchtige blikken en onkuise begeerten reeds overspel met hem had bedreven in haar hart. Waar de onreine geest bezit en heerschappij heeft verkregen van de ziel, daar is het als met de door duivelen bezetenen, Lukas 8:27, 29, het kleed der zedigheid wordt afgeworpen, en de banden en boeien der schaamte worden in stukken gebroken. Als vleselijke lust de overhand krijgt, dan zal hij voor niets terugdeinzen, zich nergens voor schamen, zedigheid, goede naam en geweten, het wordt alles aan die Baäl-Peor opgeofferd.
3. Zij was dringend en heftig in de verzoeking, dikwijls is zij met de sterkste redenen afgewezen, maar even dikwijls herhaalt zij haar snode verzoeking. Dag op dag sprak zij hem aan, vers 10. Dit nu was
a. Grote slechtheid in haar, en toonde dat haar hart er geheel op gezet was om kwaad te doen.
b. een grote verzoeking voor Jozef. Ongetwijfeld heeft Satan er de hand in gehad, die, toen hij bevond hem niet te kunnen overwinnen door benauwdheid en verdriet, en het misnoegen der wereld (want daarin hield hij nog altijd vast aan zijn oprechtheid), hem aanviel met zachte, strelende genoegens, die meer ten verderve hebben gebracht dan de eerste, namelijk de benauwdheden en kwellingen der wereld, zij hebben hun tienduizenden verslagen.
II. Hier is een doorluchtig voorbeeld van deugd en vastberaden kuisheid van Jozef, die door Gods genade in staat werd gesteld, de verzoeking te weerstaan en te overwinnen, en alles wel overwogen, was, geloof ik, zijn ontkomen er aan een even groot voorbeeld van de macht Gods, als de bevrijding der drie jongelingen uit de vurige oven.
1. De verzoeking, waardoor hij werd aangevallen, was zeer sterk. Nooit werd een geweldiger aanval op het kasteel der kuisheid gericht dan die welke hier vermeld is, a. De zonde waartoe hij verleid werd, was onreinheid, die in aanmerking genomen: zijn jeugd, zijn schoonheid, zijn ongehuwden staat en zijn overvloed aan de tafel van een overste, een zonde was die, naar men zou denken, hem zeer licht zou omringen, en hem doen vallen.
b. De verleidster was zijn meesteres, een vrouw van aanzien, die hij gehouden was te gehoorzamen, en zijn belang was om haar aan zich te verplichten, wier gunst er meer dan iets toe zou bijdragen om hem te bevorderen, en door wier bemiddeling hij tot de hoogste ere- ambten aan het hof zou kunnen geraken. Van de andere kant was het uiterst gevaarlijk voor hem haar te veronachtzamen of haar tot zijn vijandin te maken.
c. De gelegenheid maakt de dief en maakt de overspeler, en dat begunstigde de verzoeking. De verleidster was in hetzelfde huis met hem, zijn werk bracht hem zonder dat er achterdocht door gewekt werd, waar zij was, niemand van het gezin was thuis, vers 11, er scheen geen gevaar van ontdekking, of, zo er verdenking was, zou zijn meesteres hem beschermen.
d. Bij dit alles voegde zich nog aandrang, in zulk een mate, dat zij hem ten laatste met geweld aangreep.
2. Zijn weerstaan van de verzoeking was zeer kloekmoedig, en de overwinning in waarheid eervol. De almachtige genade Gods stelde hem instaat deze aanval van de vijand het hoofd te bieden.
a. Door kracht van redenering, en waar de rechte rede gehoord wordt daar zal de Godsdienst ongetwijfeld de zege behalen. Hij ontleent zijn argumenten aan de eerbied, die hij God en zijn meester verschuldigd is, vers 8, 9.
a.a. Hij wilde zijn meester niet verongelijken, niet zulk een onherstelbare schade toebrengen aan zijn eer. Hij bedenkt, en voert het aan, hoe vriendelijk zijn meester voor hem geweest is, welk een vertrouwen hij in hem had gesteld, bij hoe velerlei gelegenheden hij hem beweldadigd had, en hij verafschuwde de gedachte om hem met zo'n ondank daarvoor te belonen. Wij zijn het verplicht aan de eer, zowel als aan de rechtvaardigheid en de dankbaarheid, om hen die een goede mening over ons koesteren en vertrouwen in ons stellen, in niets te schaden, al zouden wij dit ook nog zo in het verborgen kunnen doen. Let er op hoe hij redeneert, vers 9. "Niemand is groter in dit huis dan ik, daarom zal ik het niet doen." Zij, die groot zijn, moeten inplaats van trots te wezen op hun grootheid, haar gebruiken als een argument tegen de zonde. "Is niemand groter de ik? Dan zal ik het versmaden om een goddeloze zaak te doen, het is beneden mij een lage lust te dienen, ik wil mij zo niet verkleinen en verlagen."
b.b. Hij wilde zijn God niet mishagen. Dat is het hoofdargument, waarmee hij zijn afkeer van de zonde versterkt. Hoe kan ik dit doen? Niet slechts: hoe zou ik? of, hoe zou ik durven, maar, Hoe kan ik? Id possumus, quod jure possumus-Wij kunnen doen, wat wij wettig doen kunnen. Het is goed om de zonde met de sterkste grendel buiten te sluiten, de grendel namelijk van de onmogelijkheid. Die uit God geboren is kan niet zondigen, 1 Johannes 3:9.
Drie argumenten voert Jozef aan bij zichzelf.
Ten eerste. Hij bedenkt wie het was, die verzocht werd. "Ik, anderen kunnen wellicht hun vrijheid nemen, maar ik kan het niet. Ik, een Israëliet, in verbond met God die de Godsdienst belijd, en die belijd tot Hem in betrekking te staan, voor mij is dit zo goed als onmogelijk." Ten tweede. Wat het voor zonde was, waartoe hij verzocht werd: zó'n groot kwaad. Anderen mogen het als een geringe, nietige zaak beschouwen, een peccadille, een jeugdige misstap, maar Jozef had er een ander denkbeeld van. Als wij, in het algemeen, te eniger tijd verzocht worden tot zonde, dan moeten wij het grote kwaad bedenken, dat er in gelegen is, laat de zonde openbaar worden zonde te zijn, Romeinen 7:13, noem haar bij haar naam en poog niet haar te verkleinen. Laat inzonderheid de zonde der onreinheid altijd beschouwd worden als een groot kwaad, als een zeer zondige zonde, die even sterk als iedere andere strijd voert tegen de ziel.
Ten derde. Tegen wie hij verzocht werd te zondigen, tegen God. Niet slechts, hoe zou ik dit doen en zondigen tegen mijn meester, mijn meesteres en mijzelf, mijn eigen lichaam en mijn eigen ziel, maar tegen God. Godvruchtige zielen beschouwen dit als het ergste in de zonde, dat het is tegen God, tegen Zijn natuur en heerschappij, tegen Zijn liefde en tegen Zijn voornemen. Zij die God liefhebben haten daarom de zonde.
a. Door standvastigheid van besluit. De genade Gods stelde hem instaat de verzoeking te overwinnen, door de verzoekster te mijden.
a.a. Hij hoorde naar haar niet, om bij haar te zijn, vers 10. Zij, die voor kwaad behoed willen worden, moeten het kwaad uit de weg blijven. "Wijk er van en ga voorbij." Ja meer:
b.b. Toen zij hem aangreep liet hij zijn kleed in haar hand, vers 12. Hij wilde niet eens blijven om met de verzoeking te onderhandelen, maar is haar met de uiterste afschuw ontvloden, hij liet zijn kleed, als iemand die vlucht om zijn leven te redden. Het is beter een goede rok, dan een goed geweten te verliezen.