Genesis 38:24-30
Hier is:
I. Juda's strengheid jegens Thamar, toen hij hoorde dat zij een overspeelster was. In het oog der wet was zij de vrouw van Sela, daarom werd haar zwangerschap bij een ander beschouwd als een belediging en smaad van Juda's familie. Brengt ze hiervoor, zegt Juda het hoofd der familie, en dat zij verbrand worde, niet tot as verbrand, maar gebrand op de wang of het voorhoofd, gebrandmerkt als een hoer. Dit lijkt waarschijnlijk, vers 24. Het is iets heel gewoons, dat de mensen zeer streng zijn tegen de zonde van anderen, waaraan zij zich echter zelf schuldig maken, en zo is het, dat zij door anderen te oordelen zichzelf veroordelen, Romeinen 2:1, 14:22. Indien het zijn bedoeling was haar tot as te laten verbranden, onder voorgewende ijver misschien tegen de zonde, dan heeft hij dit bedacht, om zich van zijn schoondochter te ontdoen, daar hij er afkerig van was haar aan Sela te huwen. Het is iets gewoons, maar iets zeer slechts, om nijd en kwaadaardigheid tegen personen te bedekken met een schijn van ijver tegen hun ondeugden.
II. Juda's beschaming toen het bleek, dat hij zelf de overspeler was. Zij toonde de ring en het snoer als onbetwistbare bewijzen, dat Juda de man was, bij wie zij zwanger was vers 25, 26. De slechtheid, die in het grootste geheim gepleegd werd en zeer zorgvuldig verborgen werd gehouden, wordt op verwonderlijke wijze aan het licht gebracht tot schande en beschaming van hen, die gezegd hebben: "Geen oog ziet het. Het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren," en er komt een dag wanneer alles aan het licht zal gebracht worden. Sommigen van de Joodse schrijvers maken de opmerking, dat, gelijk Juda tot zijn vader gezegd heeft: Beken toch, of deze uws zoons rok zij, Hoofdstuk 37:32, Zo werd nu tot hem gezegd: "Beken toch wiens deze zegelring en deze snoeren en deze staf zijn." Juda, door zijn eigen geweten overtuigd zijnde:
1. Bekent zijn zonde: zij is rechtvaardiger dan ik. Hij erkent dat een onuitwisbaar merk van eerloosheid veeleer op hem geplaatst behoorde te worden, die zozeer medeplichtig was aan de zonde. Aan die overtreders behoort grote zachtmoedigheid betoond te worden, aan wie wij de gelegenheid hebben gegeven tot overtreding. Als dienstboden iets van hun meesters wegnemen, en dezen, door hun te onthouden wat hun toekomt, hen er toe in verzoeking gebracht hebben, dan behoren zij hun te vergeven.
2. Hij heeft die zonde niet meer gepleegd: hij bekende haar voortaan niet meer. Diegenen hebben niet waarlijk berouw van hun zonde, die ze niet opgeven.
III. De opbouw van Juda's geslacht hierdoor in de geboorte van Perez en Zerah, van wie de aanzienlijkste families van het doorluchtig geslacht van Juda afstamden. Hun geboorte schijnt zwaar geweest te zijn voor de moeder, waardoor zij getuchtigd werd voor haar zonde. Evenals Jakob en Ezau worstelden ook deze kinderen om het geboorterecht, en Perez heeft het verkregen, die altijd het eerst genoemd wordt, en van hem stamt Christus af. Hij ontving zijn naam vanwege zijn doorbreken vóór zijn broeder: Op u is de breuk hetgeen toepasselijk is op hen, die onenigheid zaaien en verwijdering doen ontstaan tussen broeders. Evenals Zerah waren de Joden goed op weg om het geboorterecht te verkrijgen, en zij waren getekend met een scharlaken draad als degenen, die het eerst uitkwamen, maar de heidenen hebben als Perez, een zoon des gewelds, de voorrang boven hen verkregen door het geweld, hetwelk het koninkrijk der hemelen wordt aangedaan, en zij hebben de rechtvaardigheid verkregen, waartoe de Joden niet gekomen zijn. Maar toch als de volheid des tijds gekomen is, dan zal heel Israël zalig worden. Beide deze zonen worden in het geslachtsregister van onze Heiland genoemd, Mattheus 1:3, om de geschiedenis in gedachtenis te laten blijven als een voorbeeld van de vernedering van onze Heere Jezus. Sommigen maken de opmerking, dat de oudste vier zonen van Jakob zich aan zeer ergerlijke zonden hebben schuldig gemaakt. Ruben en Juda liggen onder de schuld der bloedschande, Simeon en Levi onder de schuld van moord, toch waren zij patriarchen, van Levi kwamen de priesters, van Juda de koningen en de Messias, aldus werden zij voorbeelden van bekering en gedenkzuilen van vergevende genade.