Genesis 38:12-23
Het is een zeer lelijke geschiedenis, die hier van Juda verhaald wordt, men zou zo'n dwaasheid in Israël niet vermoed hebben. Juda had zijn vrouw begraven, en weduwnaars moeten met de uiterste zorg en vastberadenheid op hun hoede zijn voor alle vleselijke lusten. Hij was onrechtvaardig jegens zijn schoondochter, hetzij door verzuim of met opzet, daar hij haar zijn overlevende zoon niet ten huwelijk gaf, en dit stelde haar bloot aan verzoeking.
I. Thamar heeft zich goddeloos als een hoer veil gegeven aan Juda, opdat, indien de zoon geen zaad voor de overledene zou verwekken, de vader het doen zou. Sommigen verontschuldigen dit door het denkbeeld te opperen, dat zij, hoewel een Kanaänietische, toch de ware Godsdienst had omhelsd, en geloof had in de belofte, gedaan aan Abraham en zijn zaad, inzonderheid de belofte van de Messias, die uit de lenden van Juda moest voortkomen, en dat zij daarom zo vurig begeerde een kind te hebben bij een uit dat geslacht, ten einde de eer te hebben, of tenminste de mogelijkheid, om de moeder van de Messias te zijn. En indien dit wezenlijk haar begeerte was, dan werd zij vervuld, zij is een van de vier vrouwen, die bijzonder vermeld zijn in de geslachtslijst van Christus, Mattheus 1:3. Haar zondige praktijk werd vergeven en haar goede bedoeling aangenomen, hetgeen de genade Gods verheerlijkt, maar toch volstrekt niet toegelaten wordt om dergelijke praktijken te rechtvaardigen of aan te moedigen. Bisschop Patrick acht het waarschijnlijk dat zij hoopte, dat Sela, die naar recht haar echtgenoot was, met zijn vader mee zou komen en dat hij dan door haar liefkozingen gelokt zou worden. Er was berekening en list in Thamars zonde.
1. Zij nam er de gelegenheid voor waar toen Juda een tijd van vrolijkheid en feestvieren had met zijn schaapscheerders. Tijden van vrolijkheid blijken dikwijls tijden van verzoeking te zijn, inzonderheid tot de zonde van onreinheid, als mensen heel verzadigd zijn van spijs en drank, dan worden de teugels dikwijls losgelaten.
2. Zij stelde zich tentoon als een hoer op een open plaats, vers 14. Zij, die kuis zijn en kuis willen blijven, moeten "het huis bewaren," Titus 2:5. Het schijnt toenmaals de gewoonte der hoeren geweest te zijn, om haar aangezicht te bedekken alsof zij zich schaamden, hoewel zij zich in werkelijkheid niet schaamden. De zonde der onkuisheid was toen nog niet zo schaamteloos als zij nu is.
II. Juda viel in de strik, en hoewel hij zich onwetend schuldig maakte aan bloedschande met zijn schoondochter (daar hij niet wist wie zij was) was hij toch moedwillig schuldig aan de zonde van hoererij. Wie zij ook was, hij wist dat zij zijn vrouw niet was, en dus niet aangeroerd mocht worden, en zijn zonde was ook volstrekt niet vatbaar voor zo liefderijke verontschuldiging als sommigen voor Thamar aanvoeren, namelijk dat, hoewel de daad slecht was, de bedoeling goed was.
Merk op:
1. Juda's zonde begon met het oog, vers 15, hij zag haar. Diegenen hebben het hart en "de ogen vol overspel," 2 Petrus 2:14, die toebijten in elk lokaas, dat hun wordt voorgehouden, en als tonder zijn voor elk vonkje. Wij moeten een verbond maken met onze ogen, en ze afwenden van ijdelheid, opdat het oog het hart niet aansteke. 2. Aan het schandaal werd nog toegevoegd dat het hoerenloon (en er is niets dat meer eerloos is) geëist, aangeboden en aangenomen werd, een geitebok van de kudde, een schone prijs, waarop haar kuisheid en eer geschat werd! Maar al had het loon in duizenden van rammen en tienduizenden van oliebeken bestaan, dan zou dit loon toch nog te gering zijn geweest. De gunst van God, de reinheid der ziel, de vrede des gemoeds en de hoop op de hemel zijn te kostelijke zaken om voor zo'n prijs verkocht te worden, de topaas van Morenland is hun niet gelijk te waarderen, wat baat het hun, die hun ziel verliezen, de wereld te gewinnen?
3. Het kwam uit tot smaad van Juda, dat hij zijn juwelen in pand liet voor een geitebok. Vleselijke lusten zijn niet alleen dierlijk, maar dom en een verderf voor de wereldlijke belangen der mensen. Het is duidelijk dat hoererij, zowel als wijn en most, eerst het hart wegneemt, anders zou zij nooit de zegelring en het snoer wegnemen.
III. Hij verloor zijn juwelen bij de koop. Volgens belofte zond hij de geitebok om zijn pand te lossen, maar de veronderstelde hoer was nergens te vinden. Hij zond hem door zijn vriend, (die wel waarlijk een valse vriend was daar hij hem hielp en aanmoedigde in zijn slechtheid) de Adullamiet, die zonder het pand tot hem terugkwam. Het is een goed bericht (indien het tenminste waar is) van elke plaats, dat zij hier gaven, namelijk dat er geen hoer op die plaats was, want zulke zondaressen zijn de schande en pest van iedere plaats waar zij zijn. Juda zit neer, berust er in zijn zegelring en zijn snoer te verliezen, en verbiedt zijn vriend er verder navraag naar te doen, dit als reden hiervoor opgevende, opdat wij niet misschien tot verachting worden, vers 23. Hetzij:
1. Dat zijn zonde openlijk bekend zou worden, en er dan van gesproken werd. Hoererij en alle onreinheid zijn te allen tijde beschouwd als iets schandelijks, en zij waren de smaad en schande van hen, die er schuldig aan werden bevonden. Niets zal hen doen blozen, die zich daar niet voor schamen. Of:
2. Opdat men hem niet zal bespotten als een dwaas om aan een lichtekooi zijn zegelring en zijn snoer toe te vertrouwen. Hij toont geen berouw over zijn zonde, is er niet over bezorgd om er vergeving voor te verkrijgen, slechts wilde hij er de schande van voorkomen. Zo zijn er velen, wie er meer aan gelegen is om hun goede naam onder de mensen te behouden, dan zich de gunst van God en een goede consciëntie te verzekeren, "opdat wij niet misschien tot verachting worden," weegt bij hen zwaarder dan "opdat wij niet verdoemd worden."