Genesis 34:6-17
Toen Jakob's zonen hoorden welke smaad Dina was aangedaan, ontstaken zij in grote toorn, meer uit naijver misschien voor de eer der familie, dan voor deugd of godsvrucht. Er zijn velen, die zich meer bekommeren om het schandelijke van de zonde dan om het zondige van de zonde.
Zij wordt hier dwaasheid in Israël genoemd vers 7, overeenkomstig de taal in latere tijden want Israël was toen nog geen volk, maar slechts een gezin. Ontucht is dwaasheid, want de gunst van God, de vrede van het geweten en alles wat heilig en eerbaar is worden aan een lage, dierlijke lust opgeofferd. Deze dwaasheid is uiterst schandelijk in Israël, in een gezin van Israël, waar God gekend en aangebeden wordt, zoals in Jakob's tenten, bij de naam van de God van Israël. Dwaasheid in Israël is waarlijk schandelijk. Het is kostelijk om de zonde met een slechte naam te bestempelen, onreinheid of ontucht wordt hier spreekwoordelijk dwaasheid in Israël genoemd, 2 Samuël 13:12. Dina wordt hier Jakob's dochter genoemd ter waarschuwing aan alle dochters van Israël, dat zij niet tot deze dwaasheid vervallen.
Hemor zelf kwam om met Jakob te onderhandelen, maar hij verwijst hem naar zijn zonen, en hier hebben wij een bijzonder bericht van het verdrag, waarin-het is schande het te moeten zeggen-de Kanaänieten eerlijker waren dan de Israëlieten.
I. Hemor en Sichem doen dit huwelijksvoorstel om tot een handelsverdrag te komen. Sichem is zwaar verliefd op Dina, hij wil haar op elke voorwaarde hebben, vers 11, 12. Zijn vader geeft niet slechts zijn toestemming, maar doet zelf aanzoek voor hem om haar hand, en wijst met ernst op de voordelen, die uit deze verbintenis van de twee families zouden voortvloeien, vers 9, 10. Hij toont geen vrees voor of wantrouwen in Jakob, hoewel deze een vreemdeling was, maar veeleer een oprechte begeerte om tot een overeenkomst tussen de beide gezinnen te komen, waarbij hij hem het edelmoedige aanbod doet: het land zal voor uw aangezicht zijn, woont en handelt daarin.
II. Jakob's zonen dringen laaghartig aan op een verbond in godsdienst, terwijl zij in werkelijkheid niets minder op het oog hadden dan de godsdienst. Indien Jakob de leiding van deze zaak zelf in handen had genomen, dan zouden hij en Hemor waarschijnlijk spoedig tot een overeenkomst zijn gekomen, maar de zonen van Jakob zinnen slechts op wraak, en zij hebben een vreemd plan gevormd om zich die wraak te verschaffen: de Sichemieten moeten besneden worden, niet om hen heilig te maken, dat lag niet in hun bedoeling, maar om hen in de smart te doen komen, en zodoende des te gemakkelijker de prooi te doen worden van hun zwaard.
1. Het was een schoonschijnend voorwenden. "Het is de eer van Jakob's geslacht, dat zij het teken van Gods verbond met hen dragen, en voor hen, die aldus onderscheiden en geëerd zijn, zou het een versmaadheid wezen, om in zo nauw een verbintenis te treden met onbesnedenen, vers 14. En daarom: indien gij besneden wordt dan zullen wij tot een volk zijn, vers 15, 16. Indien zij er oprecht in geweest waren, dan zou er in hun voorstel iets prijzenswaardigs geweest zijn, want:
a. Israëlieten moeten geen huwelijken aangaan met Kanaänieten, belijders van de godsdienst met onheiligen. Het is een grote zonde, of tenminste de oorzaak van veel zonde, en het heeft dikwijls verderfelijke gevolgen gehad. b. De invloed, die wij hebben op de mensen, moet wijselijk gebruik" worden om hen er toe te brengen de godsdienst lief te hebben en zijn voorschriften in praktijk te brengen, (wie zielen vangt is wijs). Maar dan moeten wij niet, evenals de zonen van Jakob, denken dat het genoeg is, hen te bewegen om zich aan de uitwendige ceremoniën van de godsdienst te onderwerpen maar trachten hen te overtuigen van het redelijke er van, en hen bekend te maken met zijn kracht.
2. De bedoeling was boosaardig, gelijk uit het gevolg van de geschiedenis zal blijken. Al wat zij op het oog hadden was hen te bereiden voor de dag van de slachting. Bloeddorstige plannen zijn dikwijls gevormd en ten uitvoer gebracht onder schijn van godsdienst, maar deze geveinsde vroomheid is ongetwijfeld een dubbele ongerechtigheid. Nooit wordt aan de godsdienst zoveel nadeel toegebracht en worden Gods sacramenten meer ontheiligd, dan wanneer zij aldus als een dekmantel der kwaadwilligheid worden gebruikt. Ja meer, indien Jakob's zonen dit bloeddorstig plan niet hadden gehad, dan zie ik niet hoe zij het heilig teken van de besnijdenis, het zegel van Gods verbond, aan deze gevloekte Kanaänieten konden aanbieden, die part noch deel aan de zaak hadden. Zij, die geen recht hadden op de belofte, hadden ook geen recht op het zegel "het is niet betamelijk het brood van de kinderen te nemen en de honden voor te werpen, " maar de zonen van Jakob bekommerden zich hier niet om, zo het slechts hun oogmerk kon dienen.