Genesis 4:6-7
God redeneert hier met Kaïn om hem te overtuigen van de zonde en dwaasheid van zijn toorn en misnoegen, en hem weer in een goede gemoedsstemming te brengen, opdat meerder kwaad voorkomen zou worden. Het is een voorbeeld van Gods lankmoedigheid en neerbuigende goedheid, dat Hij zó teder sprak met zo'n slechte man, in zo'n slechte zaak, niet willende, dat enigen verloren gaan maar dat zij allen tot bekering komen. Zo heeft de vader van de verloren zoon de zaak besproken met de oudsten zoon Lukas 15:28 en verv., en God met de Israelieten, die zeiden: "De weg des Heeren is niet recht," Ezechiël 18:25. God wil Kaïn zelf een onderzoek laten instellen naar de reden van zijn misnoegen om dan eens na te gaan, of het een goede reden is. Waarom is uw aangezicht vervallen?
Merk op:
I. Dat God al onze zondige hartstochten en ons misnoegen opmerkt. Er is geen toornige blik, geen afgunstige blik, geen norse of gemelijke blik, die aan Zijn opmerkzaam oog ontsnapt.
II. Dat veel van onze zondige toorn en onrustigheid zou verdwijnen, als wij een streng en onpartijdig onderzoek naar de reden er van gingen instellen. "Waarom ben ik toornig? Is er een reden, een rechtmatige reden voor, een reden, die evenredig is met mijn toorn? Waarom ben ik zo spoedig in toorn ontstoken? Waarom voel ik zo'n heftige toorn? Ben ik zo onverzoenlijk?" Ten einde Kaïn weer tot zich zelf te brengen, wordt hem hier duidelijk gemaakt:
1. Dat hij geen reden had om vertoornd te zijn op God, want dat Hij te werk was gegaan naar de vastgestelde en onveranderlijke regelen van bestuur, passend voor een staat van op de proefstelling. Hij stelt de mensen leven en dood voor, de zegen en de vloek, en dan vergeldt Hij hun naar hun werk, en maakt verschil tussen hen, naar het verschil, dat zij zelf tussen zich gemaakt hebben-zo zal hun oordeel wezen. De regels zijn rechtvaardig, en daarom moeten Zijn wegen, overeenkomstig die regels, recht zijn en Hij zal in Zijn spreken gerechtvaardigd worden.
God stelt Kaïn leven voor en een zegen. "Is er niet, als gij wel doet verhoging? Ongetwijfeld en gij weet dit." Het zij:
a. "Indien gij wel gedaan hadt, zoals uw broeder, gij zoudt aangenomen zijn, zoals hij aangenomen is." God is geen aannemer des persoons, niets van hetgeen Hij gemaakt heeft, haat Hij, aan niemand ontzegt Hij Zijn gunst, dan aan hen, die haar verbeurd hebben, Hij is een vijand van niemand dan van hen, die Hem door hun zonde tot hun vijand gemaakt hebben. Indien wij dus niet door Hem aangenomen worden, Zijn goedkeuring niet verwerven, dan hebben wij dit ons zelf te wijten, de schuld ligt geheel bij ons, indien wij onze plicht gedaan hadden, Zijn goedertierenheid zou ons niet ontbroken hebben. Dit zal God rechtvaardigen in het verderf van de zondaren, ja hun verderf nog verzwaren. Er is geen veroordeelde zondaar in de hel, die, zo hij wel gedaan had, zoals hij het had gekund, niet een verheerlijkte heilige in de hemel zou zijn. Hiermede zal weldra alle mond gestopt worden. Of:
b. "Indien gij thans wèl doet, indien gij berouw hebt van uw zonde, uw hart en uw leven verbetert, en uw offer brengt op een betere wijze, indien gij niet slechts doet wat goed is, maar het goed doet, dan zult gij nog aangenomen worden. Uw zonde zal worden vergeven, uw vertroosting uw rust en ere hersteld worden, en alles zal wèl wezen." Zie hier de uitwerking van het tussenbeide treden van een Middelaar tussen God en de mens. Wij staan niet op de grondslag van het eerste verbond, dat geen plaats liet voor berouw, maar God heeft ons nieuwe voorwaarden gesteld. Hoewel wij overtreden hebben, zullen wij, indien wij berouw hebben en ons bekeren, barmhartigheid verkrijgen. Zie hoe vroegtijdig reeds het Evangelie gepredikt werd, en de weldaad ervan hier aangeboden werd zelfs aan een van de voornaamste van de zondaren.
b. Hij stelt hem de dood voor en een vloek. "En zo gij niet wel doet", dat is: "daar gij niet wel gedaan hebt, niet in het geloof hebt geofferd, en op de rechte wijze, de zonde ligt aan de deur", dat is: "de zonde is u toegerekend, gij werd aangezien met misnoegen, en als een zondaar verworpen. Er zou u zo'n zware schuld niet verweten zijn, indien gij haar niet zelf op u geladen had door niet wèl te doen." Of, zoals het gewoonlijk opgevat wordt: "Indien gij thans niet wèl doet, indien gij volhardt in deze toorn, en, in plaats van u voor God te verootmoedigen u tegen Hem verhardt, de zonde ligt aan de deur,
dat is:
a. Nog meerdere zonde. "Nu die toorn in uw hart is, is moord aan de deur." De weg van de zonde gaat bergafwaarts, de mensen gaan van kwaad tot erger. Zij, die niet wèl offeren, maar nalatig en onachtzaam zijn in hun dienen van God, stellen zich bloot aan de ergste verzoekingen, en dan ligt misschien de ergerlijkste zonde aan de deur. Zij, die Gods inzettingen niet houden, lopen gevaar allerlei gruwelen te bedrijven, Leviticus 18:30.
Of:
b. De straf van de zonde. Zo nauw aan elkaar verwant zijn zonde en straf, dat in het Hebreeuws hetzelfde woord die beide betekent. Indien de zonde geherbergd wordt in het huis, dan wacht de vloek aan de deur, als de gerechtsdienaar, gereed om de zondaar te arresteren, als hij naar buiten ziet. Hij ligt, alsof hij slaapt, maar hij ligt aan de deur, waar hij spoedig zal ontwaken, en dan zal het blijken dat het verderf niet sluimert. De zonde zal u vinden, Numeri 32:23. Maar sommigen willen dit ook opvatten als een aanduiding van genade. "Zo gij niet wèl doet, de zonde, dat is: het zondoffer, ligt aan de deur, en gij zult er het nut, de weldaad van hebben." Hetzelfde woord betekent zonde, en een offer voor de zonde. "Ofschoon gij niet wel gedaan hebt wanhoop toch niet, het geneesmiddel is daar, de verzoening is niet ver te zoeken, grijp haar aan, en de ongerechtigheid uwer heilige dingen zal u vergeven worden." Van Christus, het grote zondoffer, wordt gezegd, dat Hij aan de deur staat, Openbaring 3:20 En diegenen verdienen zeker in hun zonde om te komen, die niet naar de deur willen gaan om aan het zondoffer deel te hebben. In overweging nu van dit alles, had Kaïn geen reden om vertoornd te zijn op God, maar wel op zich zelf.
2. Hij toont hem, dat hij geen reden heeft om vertoornd te zijn op zijn broeder, "zijn begeerte is toch tot u, hij zal u blijven eerbiedigen als oudste broeder, en gij, als de eerstgeborene, zult evenveel als ooit over hem heersen." Gods aanzien van Abels offer heeft het eerstgeboorterecht niet op hem doen overgaan, (waar Kaïn zo voor ijverde) noch hem met die voortreffelijkheid in hoogheid en voortreffelijkheid in sterkte begiftigd, die gezegd worden er toe te behoren, Hoofdstuk 49:3. God heeft dit zo niet bedoeld, Abel heeft het zo niet opgevat, er was geen gevaar dat het tot Kaïns nadeel zou gebruikt worden, waarom is hij dan zo vertoornd?
Merk hier op: a. Dat het verschil, gemaakt door Gods genade, het verschil niet uitwist, gemaakt door Gods voorzienigheid, maar het in stand houdt, en ons de plicht oplegt, die er uit voortvloeit: gelovige dienstknechten moeten ongelovige meesters gehoorzamen. Heerschappij is niet gefundeerd in genade, en de Godsdienst geeft geen recht op ontrouw of oneerbiedigheid in welke betrekking het ook zij.
b. Dat de achterdocht, die burgerlijke overheden soms opgevat hebben omtrent de ware aanbidders van God, als gevaarlijk voor de regering, vijanden van de keizer en schadelijk voor koningen en landschappen (op welk vermoeden de vervolgers hun woede tegen hen gegrond hebben) zeer onrechtvaardig en onredelijk is. Wat sommigen, die zich Christenen noemen ook mogen zijn of doen, het is zeker dat ware Christenen de beste onderdanen zijn, en de stillen in den lande, hun begeerte is tot hun regeerders, en deze zullen over hen heersen.