Genesis 34:25-31
Hier zien wij Simeon en Levi, twee van Jakob's zonen, jonge mannen van niet veel ouder dan twintig jaren, de Sichemieten doden tot groot hartzeer van hun vader, waarbij wij hebben te letten op:
I. De barbaarse moord, gepleegd op de Sichemieten. Jakob zelf placht de herdersstaf te gebruiken, maar zijn zonen droegen een zwaard op hun zij, alsof zij van het zaad waren van Ezau, die op zijn zwaard moest leven. Wij zien hen hier:
1. Al de mannelijke inwoners van Sichem ter dood brengen, in de eerste plaats Hemor en Sichem met wie zij enige dagen tevoren een vriendschapsverbond hadden aangegaan, doch met het heimelijk doel hun het leven te benemen. Sommigen denken dat al de zonen van Jakob toen zij de Sichemieten overhaalden om zich te besnijden, het plan hadden om gebruik te maken van hun zwakheid als zij in de smart zouden zijn, om Dina van uit hun midden weg te voeren, maar dat Simeon en Levi, hiermee nog niet tevreden, zelf de smaad wilden wreken, en zij deden het terdege. Nu kan het niet ontkend worden:
a. Dat God hierin rechtvaardig was. Indien de Sichemieten besneden waren in gehoorzaamheid aan een gebod van God, dan zou hun besnijdenis hun ter bescherming geweest zijn, maar daar zij zich alleen uit winstbejag aan deze heilige ritus onderwierpen, en om hun vorst te behagen was het rechtvaardig in God om dit over hen te brengen. Gelijk niets ons beter beveiligt dan de ware godsdienst, zo brengt ons niets in meer gevaar dan godsdienst, die slechts voorgewend is.
b. Maar Simeon en Levi waren zeer onrechtvaardig. Het was waar, dat Sichem dwaasheid in Israël had gedaan door Dina te verontreinigen, maar het had in aanmerking behoren genomen te worden, dat Dina zelf er medeplichtig aan was. Had Sichem haar verkracht in de eigen tent van haar moeder dan zou het wat anders geweest zijn, maar zij begaf zich op zijn gebied, en zij heeft misschien door haar onbetamelijke houding de vonk geworpen, die de vlam deed uitslaan. Als wij streng zijn jegens de zondaar, dan behoren wij ook in aanmerking te nemen wie de verleider was. Het was waar, dat Sichem kwaad gedaan had, maar hij deed zijn best om het te vergoeden en was zo eerlijk en achtbaar, "ex post facto-na de daad," als de omstandigheden het hem mogelijk maakten. Het was niet zoals met de bijvrouw van de Leviet, die ten dode toe mishandeld werd, en hij rechtvaardigt zich ook niet in hetgeen hij gedaan had, maar streeft naar verzoening op iedere voorwaarde. Het was waar, dat Sichem kwaad gedaan had, maar wat ging dit nu al de Sichemieten aan? Zal een man zondigen, en zullen zij dan op geheel de stad vertoornd zijn? Moeten de onschuldigen met de schuldigen omgebracht worden? Dit voorwaar was barbaars! Maar hetgeen meer dan alles de wreedheid verergerde was het laaghartig verraad, waardoor zij gepleegd werd. De Sichemieten hadden zich onderworpen aan hun voorwaarden, en hadden gedaan hetgeen waarop zij beloofden een volk met hen te worden, vers 16, en toch handelden zij als gezworen vijanden jegens hen, aan wie zij zo kort geleden vriendschap hadden gezworen, hun verbond even weinig tellende als zij de wetten van de menselijkheid telden. En zijn dit nu de zonen van Israël? Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig. Hun misdaad werd ook hierdoor verzwaard dat zij een heilige inzetting Gods dienstbaar maakten aan hun boos plan, zodat zij haar verfoeilijk maakten. Alsof het niet genoeg was, dat zij zichzelf en hun familie onteerden, moeten zij ook nog smaadheid brengen over het eerbare kenteken van hun godsdienst zodat het terecht een bloedige inzetting genoemd werd. 2. De buit van Sichem rovende en de stad plunderende, bevrijdden zij Dina, vers 26 Indien dit nu alles was, waar zij voorkwamen dan zouden zij dit zonder bloedvergieten hebben kunnen doen, zoals blijkt uit hun eigen woorden, vers 17, maar zij hadden de buit op het oog, en hoewel Simeon en Levi alleen de moordenaars waren, wordt toch te kennen gegeven, dat ook andere zonen van Jakob over de verslagenen kwamen en de stad plunderden, vers 27, en aldus ook medeplichtig werden aan de moord. In hen was het blijkbare ongerechtigheid, maar wel kunnen wij er de gerechtigheid Gods in zien. De Sichemieten waren bereid aan den eis van Jakob's zonen te voldoen en de pijn van de besnijdenis te lijden uit dit beginsel: Hun vee en hun bezitting en al hun beesten, zullen die niet onze zijn? vers 23 en zie nu wat hier het gevolg van was: inplaats van zich meester te maken van de rijkdom van Jakob's familie, maakt Jakob's familie zich meester van hun rijkdom. Zij, die onrechtvaardig het goed van een ander naar zich toe willen halen, verliezen rechtvaardiglijk het hunne.
II. Jakob's toorn wegens de bloedige daad van Simeon en Levi, vers 30. Bitterlijk klaagt hij over twee dingen.
1. De smaad, die zij hierdoor over hem gebracht hadden. Gij hebt mij beroerd, mij in wanorde gebracht, want gij hebt mij stinkende gemaakt onder de inwoners van dit land, dat is: "Gij hebt mij en mijn geslacht hatelijk bij hen gemaakt. Wat zullen zij nu zeggen van ons en onze godsdienst? Men zal ons voor de verraderlijkste en wreedste lieden van de wereld houden." Het grove wangedrag van slechte kinderen is de smart en de schande van hun godvruchtige ouders. Kinderen behoren de vreugde van hun ouders te wezen, maar slechte kinderen zijn hun verdriet en hun beroering, zij bedroeven hun hart, knakken hun geestkracht, en maken dat zij de hele dag in het zwart gaan. Kinderen behoren het sieraad te zijn van hun ouders, maar slechte kinderen zijn hun schande, en zijn als dode vliegen in een pot met zalf. Laat zulke kinderen echter weten dat, zo zij zich niet bekeren, de smart, die zij hun ouders hebben veroorzaakt, en de schade, die aan den goeden naam van de godsdienst door hun handelingen werd toegebracht, voor hun rekening zullen komen, zij zullen het te verantwoorden hebben.
2. Het verderf, waaraan zij hem hebben blootgesteld. Wat kon men anders verwachten dan dat de Kanaänieten, die talrijk en geducht waren, zich tegen hem zouden verbinden, en dat hij en zijn gezin een gemakkelijke prooi voor hen zouden worden? Ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. Indien al de Sichemieten verdelgd moeten worden om de misdaad van een, waarom dan niet al de Israëlieten om de misdaad van twee? Jakob wist voorzeker, dat God beloofd had zijn huis te bewaren en te bestendigen, maar hij kon terecht vrezen, dat de snode handelingen van zijn kinderen een verbeurdverklaring tengevolge kon hebben, en het erfrecht hem ontnomen zou worden. Als zonde in huis is, dan is er reden om te vrezen dat het verderf aan de deur is. Teder liefhebbende ouders voorzien de slechte gevolgen van de zonde, waarvoor hun slechte kinderen generlei vrees gevoelen.
Nu zou men denken dat zij hierdoor bewogen zouden worden, en zich voor hun vrome vader verootmoedigd zouden hebben hem om vergeving zouden hebben gevraagd, maar inplaats hiervan rechtvaardigen zij zich, en geven hem dit onbeschofte antwoord: Zou hij dan met onze zuster als met een hoer doen? Neen, dat moest hij niet, maar indien hij het wèl doet, moeten zij dan hun eigen wrekers zijn? Kan het onrecht aan een dwaas meisje gepleegd, door niets goedgemaakt worden dan door zoveel mensenlevens en het verderf van een hele stad? Door hun vraag maken zij aanmerking op hun vader, alsof hij er wel genoegen mede genomen zou hebben, dat men met zijn dochter als met een hoer doet. Het is iets heel gewoons dat zij, die tot het ene uiterste overslaan, diegenen smaden en bedillen, die de middenweg houden, alsof zij tot het andere uiterste oversloegen. Hen, die de strengheid van de wraak veroordelen, zal men in een vals daglicht plaatsen, hen voorstellen alsof zij de misdaad beschermden of goedkeurden.