Genesis 33:16-20
1. Vriendschappelijk gescheiden zijnde van Ezau, die naar zijn eigen land terugkeerde, komt Jakob te Sukkoth, een plaats, waar hij enige tijd schijnt te blijven rusten, hij bouwt hutten voor zijn vee en maakt gerieflijkheden voor zich en zijn gezin. Die plaats was later bekend onder den naam van Sukkoth, een stad in de stam van Gad, aan de andere zijde van de Jordaan. Die naam betekent tenten, of hutten, opdat, als zijn nakomelingen later in stenen huizen zullen wonen, zij zullen gedenken, dat de bedorven Syriër hun vader was, die blij en tevreden was met hutten, Deuteronomium 26:5. Zodanig was de rotssteen, waar zij uit gehouwen waren.
2. Hij kwam te Sichem. Het Hebreeuws luidt: Hij kwam te Shalem, een stad van Sichem, doch de uitleggers zijn merendeels van gevoelen dat de betekenis is: Hij kwam behouden, of in vrede tot de stad Sichem, na een gevaarlijke reis, waarop hij veel moeilijkheden heeft ondervonden, kwam hij ten slotte veilig in Kanaän. Ziekten en gevaren moeten ons leren gezondheid en veiligheid te waarderen, en er toe bijdragen om ons hart te verruimen in dankzegging, als wij bij ons uitgaan en ons inkomen Gods bewaring hebben ervaren.
Hier koopt hij een veld, vers 19. Hoewel hij door de belofte eigenaar was van het land Kanaän is hij, terwijl de tijd van inbezitneming nog niet gekomen is, tevreden om voor wat het zijne is te betalen, teneinde twist met de tegenwoordige bezitters te voorkomen. Heerschappij is niet gegrond in genade. Die vrij van onkosten de hemel hebben, moeten niet verwachten dat zij op die wijze ook de aarde zullen hebben.
Hij bouwt een altaar, vers 20.
a. In dank aan God voor de goede hand van Zijn voorzienigheid over hem. Hij vergenoegde zich niet met een erkenning in woorden van Gods gunst over hem, maar deed het ook met de daad.
b. Ten einde de aanbidding van God in stand te houden in zijn gezin. Waar wij een tent hebben, moet God een altaar hebben, waar wij een huis hebben, moet Hij er een kerk in hebben. Hij wijdde zijn altaar aan de eer en heerlijkheid van "el elohiem jisraeel", aan God, de God van Israël, aan de eer van God in het algemeen de alleen levende en ware God, het beste van alle wezens en de eerste oorzaak van alles en aan de eer van de God van Israël, als God in verbond met hem. In onze aanbidding van God moeten wij geleid en geregeerd worden door de verenigde ontdekking van de natuurlijke en de geopenbaarde godsdienst. God had hem onlangs bij de naam Israël genoemd, en nu noemt hij God de God van Israël, hoewel hij een vorst van God wordt genoemd, zal God voor hem toch een vorst zijn, zijn Heer en zijn God. Onze eer wordt dan in waarheid eer voor ons, als zij toegewijd is aan Gods eer, Israël's God is Israël's heerlijkheid.