Handelingen 9:10-22
Gods werk is volmaakt, als Hij begint zal Hij voleinden, er was een goed werk begonnen in Saulus, toen hij aan Christus' voeten was gebracht met dat woord: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? En nooit heeft Christus iemand verlaten, die daartoe gebracht was. Hoewel Saulus zwaar getuchtigd was, toen hij drie dagen blind neerlag, was hij toch niet verlaten. Christus zorgt hier voor het werk Zijner handen, Hij, die verscheurd had, zal genezen, die geslagen heeft, zal verbinden, die van zonde overtuigd heeft, zal vertroosten.
I. Ananias ontvangt het bevel om hem te gaan bezoeken, hem te genezen en te helpen, want Hij, die bedroefd heeft, zal zich ontfermen.
1. De persoon, die hiervoor gebruikt wordt is Ananias, een zeker discipel te Damascus, niet onlangs daar heen gedreven van Jeruzalem, maar een inboorling van Damascus, want in hoofdstuk 22:12 wordt gezegd, dat hij goede getuigenis had van al de Joden, die daar woonden, als te zijn een Godvruchtig man naar de wet. Kort geleden had hij het Evangelie omhelsd en zijn naam overgegeven aan Christus. Hij scheen dienst te doen als leraar, ten minste pro hac vice-bij deze gelegenheid, hoewel het niet blijkt, dat hij apostolisch geordend was. Maar waarom is er niet voor deze grote gelegenheid om sommigen der apostelen te Jeruzalem gezonden, of om Filippus, den evangelist, die onlangs den kamerling gedoopt had, en door den Geest voor ene wijle daarheen gebracht kon zijn? Voorzeker was dit, omdat Christus verschillende personen wilde gebruiken voor grote diensten, opdat de eer er van niet gemonopoliseerd zou worden door enkelen, omdat Hij werk wilde geven in de handen, en daardoor ere wilde leggen op de hoofden, van hen, die gering en onbekend waren, ten einde hen aan te moedigen, en omdat Hij wil, dat wij de leraren zullen hoogschatten in de plaats onzer inwoning, indien zij genade hebben gevonden om getrouw te zijn, al behoren zij dan ook niet tot de uitnemendsten, of meest begaafden.
2. De aanwijzing, die hem wordt gegeven, is, dat hij moet heengaan naar dit en dat huis, waarschijnlijk ene herberg, en vragen moet naar enen, met name Saulus, van Tarsen. In een visioen heeft Christus Ananias bij zijn naam geroepen, vers 10. Waarschijnlijk was het niet voor de eerste maal, dat hij de woorden Gods gehoord, en de gezichten des Almachtigen gezien heeft, want zonder schrik of verwarring, antwoordt hij terstond: "zie, hier ben ik, Heere, bereid om te gaan, waarheen Gij mij wilt zenden, en te doen wat Gij mij gebiedt." Ga dan heen, zegt Christus, in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas, waar vreemdelingen hun intrek plegen te nemen, naar enen, met name Saulus van Tarsen. Christus weet zeer wel waar hen te vinden, die Zijne zijn, en zich in droefheid bevinden. Als hun vrienden en betrekkingen wellicht niet weten wat van hen geworden is, hebben zij een Vriend in den hemel, die weet in welke straat, in welk huis, ja wat meer is, in welken gemoedstoestand zij zijn. Hij heeft hun ziel in benauwdheid gekend.
3. Er worden hem twee redenen gegeven, waarom hij naar deze vreemdeling moet gaan vragen, en hem zijne diensten moet aanbieden. A. Omdat hij bidt, en zijne komst bij hem moet de verhoring zijn van zijn gebed. Dat is ene reden: a. Waarom Ananias niet bevreesd voor hem behoeft te wezen, gelijk wij zien, dat hij was, vers 13, 14. Er is geen twijfel, zegt Christus, of hij is waarlijk bekeerd, want zie, hij bidt. Dit woord: Zie, duidt het zekere, het stellige er van aan. "Verzeker u er van, dat het zo is, ga, en zie." Het heeft Christus zo verblijd Paulus biddende te zien, dat Hij het ook aan anderen wil doen opmerken. Weest blijde met Mij, want Ik heb Mijn schaap gevonden, dat verloren was. Het duidt ook het vreemde, het verwonderlijke er van aan: "Zie, en verwonder u, dat hij, die nog onlangs niets dan dreiging en moord blies, nu slechts gebed ademt." Maar was het dan zo vreemd, dat Saulus bad? Was hij niet een Farizeeër, en hebben wij gene reden om te denken, dat hij gebeden heeft, zoals de anderen, lange gebeden heeft gedaan in de synagogen en op de hoeken der straten? Ja, maar nu begon hij op ene andere wijze te bidden, toen heeft hij zijne gebeden opgezegd, nu heeft hij ze gebeden. Hart vernieuwende genade brengt de mensen altijd aan het bidden, gij kunt even spoedig een levend mens vinden zonder ademtocht, als een levend Christen zonder gebed. Wie geen adem heeft, leeft niet, wie niet bidt heeft gene genade.
b. Het is ene reden, waarom Ananias in aller ijl tot hem moet gaan. Het is geen tijd om te aarzelen of te dralen, want zie, hij bidt. Als het kind schreeuwt of schreit, haast de voedster zich om het de borst te gaan geven. Evenals Efraïm beklaagt Saulus zich, als een ongewend kalf slaat hij de verzenen tegen de prikkels. "O, ga haastelijk tot hem, en zeg hem, dat hij mij een dierbare zoon, een troetelkind is, en sinds Ik tegen hem gesproken heb, omdat hij Mij heeft vervolgd, denk Ik nog ernstiglijk aan hem, Jeremia 31:18-20. Zie in welken toestand hij nu was. Hij bevond zich onder overtuiging van zonde, sidderende en verbaasd. Als onze zonde ons ordelijk voor ogen wordt gesteld, moet dit ons uitdrijven tot gebed. Hij leed onder lichamelijken nood, hij was blind en ziek, en: Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Christus had hem beloofd, dat hem nader gezegd zou worden wat hij doen moest, vers 6, en hij bidt, dat hem iemand gezonden mocht worden om hem te onderrichten. Wat God beloofd heeft, daar moeten wij om bidden, Hij wil er om verzocht worden, inzonderheid om Goddelijk onderricht.
B. Omdat hij in een gezicht zulk een man tot zich heeft zien komen, en de komst van Ananias moet de vervulling zijn van zijn droom, want die droom was van God, vers 12. Hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananias, zulk een man dus, als gij zijt, inkwam, juist bij tijds ter zijner hulp en verlichting, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd. Nu kan dit visioen van Paulus beschouwd worden:
a. Als ene onmiddellijke verhoring van zijn gebed, en het aanhouden van die gemeenschap met God, waarin hij door het gebed was gekomen. In het gebed had hij de ellende van zijn toestand voor God blootgelegd, en terstond openbaart zich God in Zijne vriendelijke en genaderijke voornemens jegens hem, en het is zeer bemoedigend Gods gedachten omtrent ons te kennen.
b. Als bedoeld om zijne verwachtingen op te wekken, en de komst van Ananias des te meer welkom voor hem te doen zijn. Hij zal hem geredelijk als een bode van God ontvangen, als hem vooruit, in een gezicht, wordt meegedeeld, dat iemand van dien naam tot hem zal komen. Zie hoe groot ene zaak het is om een geestelijken medicijnmeester met zijn' patiënt samen te brengen: daarvoor zijn hier twee visioenen! Als God in Zijne voorzienigheid dit doet zonder visioenen, een gezant zendt tot de beproefde ziel, een uitlegger, een uit duizend om den mens zijn rechten plicht te verkondigen, dan moet dit met dankbaarheid tot Zijn lof worden erkend.
II. Ananias heeft er bedenking tegen om tot hem te gaan, en de Heere weerlegt die bedenking. Zie hoe inschikkelijk de Heere het toelaat aan Zijn dienstknecht om de zaak met Hem te bespreken.
1. Ananias voert aan, dat deze Saulus een bekend vervolger was van de discipelen van Christus, vers 13, 14. A. Hij is dit geweest te Jeruzalem. "Heere, ik heb uit velen gehoord van dezen man, gehoord welk een boosaardige vijand hij is van het Evangelie van Christus, allen, die door de onlangs plaats gehad hebbende vervolging verstrooid zijn, en van wie velen te Damascus zijn gekomen, verhalen hoeveel kwaad hij Uwen heiligen in Jeruzalem gedaan heeft, dat hij de kwaadaardigste, heftigste vervolger van allen is geweest, een aanvoerder in het kwaad, welk ene verwoesting hij heeft aangericht in de gemeente, er was niemand, voor wie zij zo bevreesd waren, neen, zelfs niet voor den hogepriester zo veel als voor Saulus."
B. Ja meer, de zaak, waarvoor hij nu te Damascus is gekomen, is: ons, Christenen, te vervolgen. Hij heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uwen naam aanroepen, de aanbidders van Christus te behandelen alsof zij de ergste misdadigers waren." Waarom oppert Ananias nu deze bedenking? Niet: "Daarom ben ik hem dien dienst niet schuldig. Waarom zou ik vriendelijkheid bewijzen aan hem, die ons zo veel onvriendelijkheid heeft bewezen, en nog voornemens is ons te bewijzen?" Neen, Christus heeft ons ene andere les geleerd, Hij heeft ons geleerd kwaad met goed te vergelden, en voor onze vervolgers te bidden, maar, indien hij zulk een vervolger is der Christenen, zal Ananias dan veilig tot hem kunnen gaan? Zal hij zich niet als een lam in den muil van den leeuw storten? En als hij op die wijze zich zelven in moeilijkheid brengt, dan zal hij om zijne onvoorzichtigheid worden gelaakt. Zal het ook tot iets nut zijn om tot hem te gaan? Kan zulk een hard hart ooit vertederd worden, zulk een Moorman ooit zijne huid veranderen?
2. Christus wijst die bedenking af, vers 15, 16. "Zeg Mij niet, hoe slecht hij geweest is, Ik weet het, maar ga spoedig heen, en verleen hem al de hulp, die gij kunt, want hij is Mij een uitverkoren vat, of werktuig. Ik ben voornemens vertrouwen in hem te stellen, en dan behoeft gij hem niet te vrezen." Hij was een vat, waarin de Evangelie-schat gelegd zal worden, ten einde hem tot zeer velen te brengen, een aarden vat, 2 Corinthiërs 4:7, maar een uitverkoren vat. Het vat, dat door God gebruikt wordt, kiest Hij zelf, want het betaamt, dat Hij de keuze heeft der werktuigen, die Hij gebruikt, Johannes 15, 16. Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren. Hij is een vat ter ere, en moet in zijn tegenwoordigen ongelukkigen toestand niet veronachtzaamd worden, of weggeworpen als een veracht, gebroken vat, of een vat, waar men geen lust toe heeft. Hij is bestemd:
A. Voor uitnemende diensten. Hij moet Mijn' naam dragen voor de Heidenen, hij moet de apostel der Heidenen zijn, en het Evangelie tot Heidense volken brengen. Christus' naam is de banier, tot welke zielen vergaderd moeten worden, onder welke zij tot Zijn dienst aangeworven moeten worden, en Saulus moet de banierdrager zijn, hij moet Christus' naam dragen, moet er van getuigen voor koningen, voor koning Agrippa en voor den keizer zelven. Ja hij moet hem ook dragen voor de kinderen Israël's, hoewel er reeds zo velen in dien arbeid bezig waren.
B. Voor veel en groot lijden, vers 16. Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn' naam. Hij, die een vervolger is geweest, zal zelf vervolgd worden. Dat Christus hem dit toont, geeft te kennen, of dat Hij deze beproevingen over hem brengt, zoals in Psalm 60:5, Gij hebt Uwen volke ene harde zaak doen zien, of dat Hij er hem te voren kennis van geeft, opdat het gene verrassing voor hem zijn zou Zij, die Christus' naam dragen, moeten verwachten voor Zijn naam het kruis te zullen dragen, en zij, die het meest voor Christus doen, worden dikwijls geroepen, om het meest voor Hem te lijden. Saul moet veel lijden. Dit was, zou men zo denken, schrale troost voor een' pas bekeerde, maar het is slechts als de mededeling aan een dapper, kloekmoedig soldaat, als hij dienst genomen heeft, dat hij weldra naar het toneel des oorlogs zal gezonden worden. Sauls lijden voor Christus zal zo zeer strekken tot eer van Christus en van de kerk, zal zo zeer vergoed worden door geestelijke vertroostingen, en beloond worden met eeuwige heerlijkheid, dat het gene ontmoediging voor hem is, als hem gezegd wordt, dat hij voor Christus' naam veel zal moeten lijden.
III. Ananias gaat nu terstond op Christus' boodschap uit naar Saulus, en volbrengt haar met goeden uitslag. Hij had er bedenking tegen geopperd om tot hem te gaan, maar toen die bedenking weerlegd was, gaf hij haar op, bleef hij er niet verder op aandringen. Als moeilijkheden uit den weg zijn geruimd, wat hebben wij dan anders te doen, dan voort te gaan met ons werk, en niet in ons tegenstribbelen te volharden?
1. Ananias heeft Paulus zijne boodschap gebracht. Waarschijnlijk vond hij hem te bed, en bezocht hij hem als zieke.
a. Hij legde hem de handen op. Het was beloofd, als een der tekenen, die hen zouden volgen, die geloofden, dat zij op kranken de handen zullen leggen, en dat zij-de kranken-gezond zullen worden, Markus 16:18, en het was met die bedoeling, dat hij hem de handen heeft opgelegd. Saulus was gekomen om met geweld de handen te slaan aan de discipelen te Damascus, maar hier komt een discipel ene helpende, genezende hand op hem leggen. Bloedgierige lieden haten den vrome, maar de oprechten zoeken zijne ziel.
b. Hij noemde hem broeder, omdat hij een deelgenoot was geworden van de genade Gods, hoewel hij nog niet gedoopt was, en zijne bereidvaardigheid om hem als een broeder te erkennen, was ene aanduiding voor Saulus van Gods bereidvaardigheid om hem als zoon te erkennen, hoewel hij een Godslasteraar was geweest en een vervolger van Zijne kinderen.
c. Hij toont zijn lastbrief van dezelfde hand, die hem aan had gegrepen op den weg, en hem nu gevangen hield. "Diezelfde Jezus, die u op den weg is verschenen, dien gij kwaamt, en u overtuigd heeft van de zonde van Hem te vervolgen, heeft mij nu gezonden, om u te vertroosten." Una eademque manus, vulnus opemque tulit -de hand, die wondde, geneest. "Zijne hand heeft u met blindheid geslagen, maar Hij heeft mij gezonden, opdat gij weer ziende zoudt worden, want de bedoeling was niet uwe ogen te verblinden voor altijd, doch slechts voor ene wijle, opdat gij de dingen in een ander licht zoudt zien, Hij, die toen slijk op uwe ogen heeft gelegd, heeft mij nu gezonden, om ze te wassen, opdat zij genezen worden." Ananias zou zijne boodschap aan Saulus zeer voegzaam kunnen brengen in de woorden van den profeet, Hosea 6:1, 2. Kom en keer weer tot den Heere, want Hij heeft verscheurd en Hij zal u genezen. Hij heeft geslagen, en Hij zal u verbinden, Hij zal u na twee dagen levend maken, op den derden dag zal Hij u doen verrijzen, en gij zult voor Zijn aangezicht leven. Gene scherpe, uitbrandende middelen zullen meer aangewend worden, maar verzachtende lenigende middelen.
d. Hij geeft hem de verzekering, dat hem niet slechts het gezicht teruggegeven zal worden, maar dat hij vervuld zal worden met den Heiligen Geest. Hij moet een apostel zijn, en nergens minder in wezen dan de uitnemendste apostelen. Daarom moet hij onmiddellijk den Heiligen Geest ontvangen, en niet, zoals de anderen, door tussenkomst van de apostelen. En dat Ananias hem de handen oplegde voor hij gedoopt werd, geschiedde ter aanduiding, dat hij den Heiligen Geest ontvangen zou. 2. Ananias zag den goeden uitslag zijner zending.
A. In Christus' gunst jegens Saulus. Op het woord van Ananias werd Saulus ontslagen uit zijne gevangenschap door de wederherstelling van zijn gezichtsvermogen, want Christus' opdracht om den gebondenen de gevangenis te openen, Jesaja 61:1, wordt verklaard door Zijn geven van het gezicht aan de blinden, Lukas 4:19, Jesaja 42:7. Christus' opdracht is de ogen der blinden te openen, en de gevangenen uit de gevangenis te doen uitgaan. Saulus is verlost van den geest der dienstbaarheid, door dat hij het gezicht terug ontving, vers 18, hetgeen aangeduid werd door het vallen der schellen van zijne ogen, en dat wel onmiddellijk. De genezing was plotseling, om te tonen, dat zij wonderdadig was. Het duidde aan zijn e wederbrenging:
a. Van de duisternis van zijn onbekeerden staat. Toen hij de kerke Gods vervolgde, en wandelde in den geest en op den weg der Farizeeën, was hij blind. Hij zag de betekenis noch van de wet, noch van het Evangelie, Romeinen 7:9. Christus heeft den Farizeën dikwijls gezegd, dat zij blind waren, maar kon er hen niet van overtuigen. Wij zien, zeiden zij, Johannes 9:41. Saulus is verlost van die Farizese blindheid, door dat het hem gegeven is zich er van bewust te worden. Weder barende genade opent de ogen der ziel, en doet er de schellen van afvallen, Hoofdstuk 26:18. Om der mensen ogen te openen en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, dat was het waartoe Saulus onder de Heidenen werd gezonden, hij moet het doen door de prediking van het Evangelie, en daarom moet hij het eerst zelf ervaren.
b. Van de duisternis zijner tegenwoordige verschrikking onder het gevoel van schuld op zijn geweten, en den toorn Gods over hem, dit vervulde hem met verwarring gedurende deze drie dagen, dat hij in duisternis zat, gelijk Jona gedurende drie dagen in den buik des grafs was. Maar nu vallen de schellen van zijne ogen, de wolk was uiteengedreven, en de Zon der gerechtigheid ging op over zijne ziel, met genezing onder Zijne vleugelen.
B. In Sauls overgave aan Christus, hij werd gedoopt, en daarmee onderwierp hij zich aan Christus' bestuur en leiding, en vertrouwde hij zich toe aan Christus' genade. Aldus werd hij ingeschreven in Christus' school, opgenomen in Zijn huisgezin, aangeworven onder Zijne banier, met Hem verbonden voor lief en voor leed. Het doel is bereikt, de zaak is beslist. Saulus is nu een discipel van Christus, hij houdt niet slechts op met Hem tegen te staan, maar hij wijdt zich geheel en al aan Zijn dienst en ere.
IV. Het goede werk, dat nu in Saul was begonnen, wordt wonderbaarlijk voortgezet, deze pas geboren Christen schijnt wel een ontijdig geborene te zijn, maar komt toch terstond tot rijpheid.
1. Hij herkreeg zijne lichaamskracht, vers 19. Drie dagen had hij gevast, hetgeen met het ontzettend gewicht, dat gedurende al dien tijd op zijn geest en gemoed drukte, hem zeer zwak had gemaakt, maar als hij spijs had genomen, werd hij versterkt, vers 19. De Heere is voor het lichaam, en daarom moet er zorg voor worden gedragen, ten einde het in goeden staat te houden, opdat het geschikt zij de ziel te dienen in den dienst van God, en Christus er in groot gemaakt worde, Filippenzen 1:20.
2. Hij vergezelde zich met de discipelen, die te Damascus waren, stemde met hen in, sprak met hen, ging naar hun bijeenkomsten, en verenigde zich met hen. Onlangs had hij dreiging en moord tegen hen geblazen, maar nu ademt hij liefde en welwillendheid voor hen. Nu verkeert de wolf met het lam en ligt de luipaard neer bij den geitenbok, Jesaja 11:6. Zij, die God aannemen tot hun God, nemen Zijn volk aan als hun volk. Saulus vergezelt zich met de discipelen, omdat hij nu beminnelijkheid en voortreffelijkheid in hen ziet, omdat hij hen liefheeft, en bevindt, dat hij door met hen om te gaan toeneemt in kennis en genade, en aldus legde hij belijdenis af van het Christelijk geloof, verklaarde hij zich openlijk als een discipel van Christus, door zich te voegen bij hen, die Zijne discipelen waren.
3. Hij predikte Christus in de synagogen, vers 20. Daartoe had hij ene buitengewone roeping, en daarvoor ene buitengewone bekwaamheid en bevoegdheid, daar God hem onmiddellijk Zijn zoon heeft geopenbaard, Hem in hem heeft geopenbaard, opdat hij Hem zou verkondigen, Galaten 1:15, 16. Hij was zelf zo vol van Christus, dat hij, evenals Elihu, door den geest in zijn binnenste gedrongen werd, om Hem ook aan anderen te verkondigen te spreken om lucht te krijgen, Job 32:20. Merk op:
A. Waar hij predikte, in de synagogen der Joden, want aan hen moest de aanbieding gedaan worden. De synagogen waren hun plaatsen van samenkomst, dáár vergaderde hij met hen, en dáár plachten zij tegen Christus te prediken, en Zijne discipelen te straffen, dáár had Paulus zelf hen dikwijls gestraft, Hoofdstuk 26:11, en daarom wilde hij dáár de vijanden van Christus tegen treden, waar zij het stoutmoedigst waren, en openlijk het Christendom belijden, waar hij het het meest had tegengestaan.
B. Wat hij predikte: hij predikte Christus. Toen hij begon een prediker te worden, nam hij dit aan voor zijn grondregel, en hij heeft er zich altijd aan gehouden, Wij prediken niet ons zelven, maar Christus Jezus, den Heere, niets dan Christus, en dien gekruisigd. Van Christus predikte hij, dat Hij de Zoon van God is, Zijn geliefde Zoon, in wie Hij een welbehagen heeft, en, in ons, niet anders dan in en door Hem.
C. Hoe de mensen hierdoor aangedaan werden, vers 21. Zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde wie dezen naam aanriepen, en nu roept hij zelf dezen naam aan, en beweegt anderen hem aan te roepen, en sterkt hij de handen van hen, die dit doen!" Quantum mutatus ab illo -O hoe is hij veranderd! Is Saul ook onder de profeten! Is hij zelfs niet hier gekomen om al de Christenen, die hij kon opsporen, te grijpen en hen gebonden tot de overpriesters te brengen? Ja, dat heeft hij gedaan. Wie zou toen gedacht hebben, dat hij Christus zou prediken, gelijk hij nu doet?" Ongetwijfeld werd het door velen beschouwd als ene sterke bevestiging van de waarheid van het Christendom, dat iemand, die zulk een algemeen bekend vervolger er van geweest is, plotseling zulk een verlichte, krachtige en bekwame prediker er van is geworden. Dit wonder geschied aan den geest van zulk een man, overtrof en overschitterde de wonderen, aan der mensen lichamen gedaan, en, aan zulk een man een ander hart te geven, was meer dan den mensen te geven met vreemde talen te spreken.
4. Hij weerlegde en beschaamde hen, die de leer van Christus tegenstonden, vers 22-. Hij onderscheidde zich niet slechts op den kansel, maar in de scholen, en toonde zich bovennatuurlijk bekwaam niet alleen om de waarheid te prediken, maar haar te handhaven en te verdedigen, als hij haar gepredikt had. A. Hij werd meer en meer bekrachtigd, hij werd inniger vertrouwd met het Evangelie van Christus, en zijne Godvruchtige genegenheid werd sterker, hij verkreeg meer vrijmoedigheid en onverschrokkenheid in de verdediging van het Evangelie. Hij werd meer en meer versterkt naarmate er meer blaam op hem werd geworpen, vers 21, zijne nieuwe vrienden hem verweten een vervolger te zijn geweest, en zijne oude vrienden hem smaadden als een afvallige. Maar in stede van ontmoedigd te zijn door al die op- en aanmerkingen op zijne bekering, werd Saulus er te meer vrijmoedig door, daar hij wist ook op het ergste, dat zij tegen hem konden inbrengen, te kunnen antwoorden. Hij versloeg zijne tegenstanders in het twistgesprek, en overtuigde de Joden, die te Damascus woonden, hij bracht hen tot zwijgen en beschaamde hen, hij beantwoordde al hun tegenwerpingen tot voldoening van alle onpartijdige personen, en bracht hen in het nauw met argumenten, die zij niet konden beantwoorden. In al zijne gesprekken met de Joden, bewees hij, dat deze Jezus de Christus is, de Gezalfde Gods, de ware Messias, beloofd aan de vaderen.. sumbibazoon -hij heeft het plechtig verzekerd en bevestigd, lerende met overtuiging. En wij hebben reden te denken, dat hij het middel is geweest om velen tot het geloof van Christus te brengen, en de kerk te Damascus op te bouwen, die hij had willen verwoesten. Aldus is spijze uitgegaan van den eter, en zoetigheid van den sterke.