Genesis 31:43-55
Wij hebben hier de schikking van de zaak tussen Laban en Jakob. Laban had niets te zeggen op Jakob's vertoog, hij kon noch zichzelf rechtvaardigen, noch Jakob veroordelen maar zijn eigen geweten overtuigde hem van het onrecht, dat hij Jakob had aangedaan, en daarom wenst hij nu maar niets meer van de zaak te horen. Hij wil geen ongelijk bekennen, geen vergeving vragen aan Jakob en hem voldoening geven zoals hij had behoren te doen, maar:
1. Hij maakt er zich van af met een betuiging van vriendelijkheid voor Jakob's vrouwen en kinderen, vers 43. Deze dochters zijn mijn dochters. Als hij niet kan verontschuldigen wat hij gedaan heeft, erkent hij hiermede toch eigenlijk wat hij had behoren te doen, hij had haar als de zijnen moeten erkennen en behandelen maar hij heeft haar als vreemden geacht, vers 15. Het is iets gans gewoons dat zij, die zonder natuurlijke liefde zijn, zullen voorgeven zeer veel liefde te hebben, als dit met hun belangen strookt. Of misschien heeft hij dit in zijn verwaandheid gezegd als iemand, die van grootspraak houdt, gezwollen is in stijl en manieren, en dus ijdelheid spreekt. "Al wat gij ziet, dat is van mij." Dat was niet zo, het was van Jakob, en hij heeft er duur voor betaald, maar Jakob laat het hem zeggen, bemerkende dat hij er in een beter humeur door komt. Aan wereldse lieden ligt hun bezitting na aan het hart. "Dit en dat is van mij", zoals Nabal sprak, 1 Samuël 25:11. Mijn brood en mijn water.
II. Hij stelt een verbond van vriendschap tussen hen voor, waarin Jakob bereidwillig toestemt, zonder aan te dringen dat Laban schuld zou bekennen, en nog veel minder dat hij hem vergoeding zou geven. Als twist ontstaan is, dan moeten wij graag bereid zijn om op elke voorwaarde tot verzoening te komen-vrede en liefde zijn zulke kostbare juwelen dat wij ze nauwelijks te duur kunnen kopen. Het is beter verliezen te lijden en stil neer te zitten, dan voort te gaan met twisten. Merk hier nu op:
1. De inhoud van het verbond. Jakob liet het geheel aan Laban over. De strekking er van was, dat Jakob een goed echtgenoot zou zijn voor zijn vrouwen, hun niet zou beledigen, en buiten hun geen andere vrouwen zou huwen, vers 50. Jakob had hem nooit reden gegeven te denken, dat hij iets anders dan een vriendelijk echtgenoot zou zijn, en toch is hij, alsof hij er wèl reden toe gegeven had, bereid die verplichting op zich te nemen. Hoewel Laban zelf hun verdrukt had, wil hij toch Jakob verplichten door een belofte, dat hij hun niet zal verdrukken. Zij, die zelf beledigend zijn, zijn gewoonlijk het meest bevreesd dat anderen het zijn, en zij, die zelf hun plicht niet doen, zijn het meest gebiedend in hun eis, dat anderen hun plicht zullen doen.
b. Dat hij geen slechte buurman zou zijn voor Laban, vers 52. Zij kwamen overeen dat geen daad van vijandschap tussen hen zou voorvallen, dat Jakob al het onrecht, dat hem was aangedaan, zou vergeven en vergeten, het in latere tijden niet meer tegen Laban en zijn geslacht zou gedenken. Wij mogen wel de sterke bewustheid hebben van een onrecht, dat ons aangedaan is, zonder dat het ons toch geoorloofd is dit onrecht te wreken.
2. De ceremonie van dit verbond, het werd met grote plechtigheid gemaakt en bevestigd, overeenkomstig de gewoonten en gebruiken uit die tijden.
a. Er werd een zuil opgericht vers 45, een hoop stenen opgeworpen, vers 46 om de gedachtenis van de zaak te vereeuwigen daar toenmaals een overeenkomst op schrift te brengen of niet bekend, òf niet gebruikelijk was. b. Er werd een offerande gebracht vers 54, een dank- of vredeoffer. Onze vrede met God is hetgeen ware vertroosting en lieflijkheid brengt in onze vrede met onze vrienden. Als er strijd en twisting is onder de mensen, dan zal hun verzoend zijn met Hem de verzoening met elkaar gemakkelijk maken.
c. Zij aten tezamen, vers 46, tezamen het maal van het vredeoffer nuttigende, vers 54. Dit was het teken van een hartelijke verzoening. Vriendschapsverbonden werden oudtijds bevestigd doordat de partijen tezamen aten en dronken. Het was als een liefdemaal.
d. Op plechtige wijze hebben zij God aangeroepen als getuige van hun oprechtheid hierin, vers 49. De Heere houde toezicht tussen mij en tussen u, dat is: De Heere neme kennis van alles, wat er van weerskanten gedaan zal worden in schending van dit verbond. Als wij uit elkaars ogen zijn, laat dan de gedachte, dat wij onder Gods oog zijn, ons weerhouden van elkaar leed te doen. Dit beroep op God kan in een gebed worden veranderd. Als vrienden van elkaar verwijderd zijn, zodat het hun niet mogelijk is elkaar te hulp te komen, dan kan deze gedachte, deze wetenschap hun tot troost wezen: God houdt opzicht over ons, en heeft het oog op ons. Zij beroepen zich ook op Hem als Rechter, vers 53. De God van Abraham, van wie Jakob afstamde, en de God van Nahor, van wie Laban afstamde, de God van hun vaderen, van wie zij beiden afstamden richte tussen ons. Gods betrekking tot hen wordt aldus uitgedrukt, om te kennen te geven dat zij dezelfde God aanbaden, hetgeen een reden moest wezen, dat er geen vijandschap tussen hen moest bestaan. Zij, die een en dezelfden God hebben, moeten ook een van hart zijn, zij, die in den Godsdienst overeenstemmen, moeten er naar streven om ook in alle andere dingen samen overeen te komen. God is Rechter tussen strijdende partijen, en Hij zal oordelen met rechtmatigheid, wie onrecht doet, doet het op zijn eigen gevaar, dat is: hij zal het te verantwoorden hebben.
e. Zij gaven een nieuwe naam aan de plaats vers 47, 48. Laban noemde haar in het Syrisch en Jakob in het Hebreeuws: de hoop van de getuigenis. In vers 49 wordt zij Mizpa, een wachttoren genoemd, zo werd er zorg gedragen dat de gedachtenis er van bewaard zou blijven. Deze namen zijn toepasselijk op de zegels van het evangelieverbond, die voor ons getuigen zo wij getrouw zijn, maar tegen ons getuigen als wij ontrouw worden bevonden. De naam, die Jakob aan deze hoop gaf, bleef hij behouden, Gilead, niet de naam, die Laban er aan had gegeven. In geheel deze handeling was Laban luidruchtig, woordenrijk, al zijn best doende om veel te zeggen. Jakob daarentegen was stil en zei weinig. Toen Laban God aanriep onder velerlei benamingen, zwoer Jakob slechts bij de vrees van zijn vader Izaak dat is: bij de God, die zijn vader Izaak vreesde, die nooit andere goden had gediend, zoals Abraham en Nahor gedaan hadden. Twee woorden, door Jakob gebruikt, waren meer gedenkwaardig dan al de redenen en ijdele herhalingen van Laban. "Want de woorden van de wijzen moeten in stilheid aangehoord worden meer dan het geroep van degenen, die over de zotten heerst," Prediker 9:17.
Eindelijk. Na al die toornige gesprekken scheidden zij toch als vrienden, vers 55. Laban heeft met veel hartelijkheid zijn zonen en zijn dochters gekust en hen gezegend, en toen keerde hij terug in vrede. God is dikwijls beter voor ons dan wij in onze vrees denken, en heerst wonderbaarlijk over de geest van de mensen te onzen gunste, en boven hetgeen wij hadden kunnen verwachten, want het is niet tevergeefs, dat wij op Hem bouwen.