Prediker 9:13-18
Nog altijd beveelt Salomo ons wijsheid aan, als nodig om onze vrede te bewaren en ons werk te volmaken, in weerwil van de ijdelheid en de tegenspoeden, waaraan de menselijke zaken onderhevig zijn. In vers 11 had hij gezegd: de sterksten winnen niet altijd, maar daarom moest men niet denken dat hij wijsheid minachtte of ontmoedigde, neen, nog houdt hij vast aan zijn beginsel, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis, Hoofdstuk 2:13, en dat wij behoren haar lief te hebben, en ons door haar te laten regeren, om ter wille van haar eigen, innerlijke waarde, en de bekwaamheid die zij ons geeft om anderen van dienst te zijn, al zouden wij er dan ook zelf geen rijkdom of bevordering door krijgen. Deze wijsheid, welke hij hier beschrijft, wijsheid, die een mens instaat stelt om zijn vaderland te dienen, uit zuivere liefde voor zijn belangen, terwijl hijzelf er geen voordeel van heeft, ja zelfs geen dank ontvangt voor zijn moeite, of er roem door wint, dat is de wijsheid, waarvan Salomo zegt, dat zij diepe indruk bij hem gaf, vers 13. Liefde voor het algemene belang bij iemand van een enge levenskring, dat is wijsheid welke zij, die de dingen verstaan welke verschillen, niet anders dan als iets zeer groots kunnen beschouwen.
I. Salomo haalt hiervan een voorbeeld aan, dat waarschijnlijk berustte op een gebeurtenis, die toenmaals in het een of andere naburige land had plaats gehad. Er was een arme man die door zijn wijsheid aan zijn land grote dienst had bewezen in een tijd van groot gevaar en benauwdheid, vers 14. Daar was een kleine stad, (van geen grote waarde voor wie er ook meester van was), en er waren slechts weinig lieden daarin om haar te verdedigen, en lieden van kracht en kloekmoedigheid zijn de beste versterkingen voor een stad. Hier waren slechts weinig lieden, en omdat zij weinige waren, waren zij zwak, vreesachtig en geheel bereid om de stad als onverdedigbaar over te geven. Tegen deze kleine stad kwam een groot koning met een talrijk leger, en belegerde haar hetzij uit hoogmoed, of uit hebzucht om er bezit van te krijgen, of uit wraak over de ene of andere belediging, die hem was aangedaan, ons haar te kastijden en te verwoesten. Menende dat zij sterker was dan zij was bouwde hij grote stellingen tegen haar, om haar vandaar uit te rammeien, en hij twijfelde niet of hij zou er binnen weinig tijd meester van zijn. Hoeveel kwelling doen eerzuchtige vorsten hun arme, weerloze naburen niet aan! Deze grote koning behoefde die kleine stad niet te vrezen, waarom moest hij haar dan verschrikken? Zij zou hem slechte weinig, voordeel opleveren, waarom wilde hij zich dan die grote onkosten getroosten om haar te veroveren? Maar even onredelijk en onverzadiglijk gulzig geringe lieden soms zijn om huis aan huis en akker aan akker te trekken, zo zijn grote koningen dikwijls om stad aan stad, en provincie aan provincie te trekken, totdat zij alleen inwoners zijn in het midden van de aarde Jesaja 5:8. Waren nu overwinning en succes voor de sterke? Neen, er werd in die kleine stad onder de weinige lieden die erin waren, een arme wijze man gevonden, een wijze man, en toch arm, niet bevorderd tot een post van voordeel of van macht in de stad, posten van vertrouwen werden aan de mensen niet gegeven naar hun verdiensten en hun geschiktheid ervoor, want dan zou een wijs man als deze niet arm zijn geweest. Nu heeft hij:
1. Wijs zijnde de stad gediend, hoewel Hij arm was. Toen zij in benauwdheid waren hebben zij hem ontdekt en zijn zij tot hem gekomen, Richteren 11:7, en verzochten om zijn raad en bijstand, en door zijn wijsheid verloste hij de stad, hetzij door verstandige instructies aan de belegerden, hen besturende in een krijgslist, waaraan niemand had gedacht, tot hun eigen veiligheid, of door een wijs verdrag met de belegeraars, zoals de vrouw te Abel-Beth-Maächa, 2 Samuël 20:16. Hij heeft hun de minachting niet verweten, die zij hem betoond hadden door hem buiten hun raad te houden, hij heeft hun niet gezegd dat hij arm was en niets had te verliezen, en er hem dus niets aan gelegen was wat er van de stad zou worden, maar deed er zijn best voor, en werd gezegend met succes. Particuliere belangen en persoonlijke grieven behoren altijd te wijken voor het openbare welzijn.
2. Arm zijnde, werd hij door de stad veronachtzaamd, hoewel hij wijs was en het middel was geweest om hen allen te redden van het verderf. Geen mens dacht aan die arme man, van zijn goede diensten werd geen nota genomen, geen beloning werd hem toegekend, geen eretekenen werden hem gegeven, hij leefde even arm en onbekend als tevoren, rijkdom was deze verstandige niet, noch gunst deze welwetende. Velen, die zich verdienstelijk hebben gemaakt jegens hun vorst en hun vaderland, zijn slecht beloond geworden zo'n ondankbare wereld is het waarin wij leven. Het is goed dat nuttige mensen een God hebben om op te vertrouwen, die hun overvloedige beloner zal zijn, want onder de mensen worden grote diensten dikwijls benijd, en goed wordt met kwaad vergolden.
II. Uit dit voorbeeld leidt hij enige nuttige gevolgtrekkingen af, hij beschouwt het, en ontvangt er lering uit.
1. Vandaar bemerkt hij de grote nuttigheid en voortreffelijkheid van de wijsheid, en van hoe grote zegen de mensen er door worden voor hun land. Wijsheid is beter dan kracht vers 16. Een verstandige geest, die de eer is van een mens, is te verkiezen boven een sterk lichaam waarin velen van de dieren de mens overtreffen. Een mens kan door zijn wijsheid tot stand brengen hetgeen hij nooit door zijn kracht zou kunnen, en diegenen overwinnen door hen in verstand te overtreffen, die instaat zouden zijn hem te overweldigen. Ja wijsheid is beter dan de krijgswapenen, hetzij van aanval of van verdediging, vers 18. Wijsheid, dat is: godsdienst en vroomheid want de wijze man wordt hier gesteld tegenover de zondaar, is beter dan alle militaire begaafdheden of toerustingen, want het zal God voor ons doen zijn, en dan zijn wij veilig ook in de grootste gevaren, en voorspoedig in de moeilijkste ondernemingen. Zo God voor ons is, wie kan tegen ons zijn? wie kan dan stand tegen ons houden?
2. Vandaar bemerkt hij de gebiedende kracht en macht van wijsheid al heeft zij ook onder uitwendige nadelen te lijden, vers 17, de woorden van de wijzen worden in stilheid aangehoord. Wat zij spreken zal, daar het verstandig en ter zake is, en met kalmte en overleg gesproken wordt, (hoewel zij, niet rijk zijnde en geen gezag hebbende, niet luid of met grote verzekerdheid durven spreken) aangehoord en ter harte worden genomen, hun achting verwerven, ja zij zullen er hun doel door bereiken, invloed door uitoefenen op de mensen, meer dan het gebiedend geroep van hem, die over de zotten heerst, die, als zotten hem verkiezen om hun heerser te zijn, om zijn geraas en getier, en als zotten, denken dat hij door deze methoden de overwinning zal behalen over ieder ander. Enige weinige deugdelijke, steekhoudende argumenten, zijn zeer veel grote woorden waard en diegenen zullen door een verstandige redenering gewonnen geven, die hun, welke dreigen en beledigen, antwoorden naar hun dwaasheid. O hoe krachtig zijn de rechte redenen, wat met wijsheid gesproken wordt, moet ook met kalmte worden gesproken, en dan zal het in stilte worden aangehoord en met kalmte worden overwogen. Maar hartstocht zal de kracht zelfs van verstand en rede verminderen, in plaats van er enigerlei kracht aan toe te voegen.
3. Vandaar merkt hij op dat wijze en goede mensen zich in weerwil daarvan dikwijls tevreden moeten stellen met de voldoening van goed gedaan te hebben, of tenminste beproefd te hebben om het te doen, al hebben zij dan ook het goed niet kunnen doen, dat zij hadden gewild, noch er de lof voor ontvangen, die er hun voor toekwam. De wijsheid maakt een mens bekwaam om zijn naaste te dienen en hij beproeft hun deze dienst te doen, maar helaas, als hij arm is, wordt zijn wijsheid veracht, en worden zijn woorden niet gehoord vers 16. Menigeen wordt, als het ware, levend begraven in armoede en onbekendheid, die, indien hem slechts behoorlijke aanmoediging was gegeven, een grote zegen had kunnen wezen voor de wereld, menige parel gaat verloren in haar schelp. Maar er komt een dag, wanneer wijsheid en goedheid in ere zullen wezen, en de rechtvaardigen zullen blinken.
4. Uit hetgeen hij had opgemerkt van het grote goed, dat een wijs en deugdzaam man doen kan, leidt hij af hoe zeer veel kwaad een goddeloos man doen kan, en hoeveel goed hij kan verhinderen en voorkomen. Een enig zondaar verderft veel goeds.
a. Ten opzichte van zichzelf: een zondige toestand is een verderfelijke toestand. Hoeveel goede gaven, beide van de natuur en van de voorzienigheid worden niet door een zondaar verdorven een goed verstand, goede geleerdheid, een goede gezindheid, een goede bezitting, goede spijs en drank, overvloed van Gods goede schepselen, van die allen wordt gebruik gemaakt in de dienst van de zonde, en aldus worden zij verdorven, en het doel, waartoe zij gegeven werden, verijdeld. Hij, die zijn eigen ziel verderft, verderft veel goeds.
b. Ten opzichte van anderen, hoeveel kwaad kan een goddeloos man niet aanrichten in een stad of een land! Een zondaar, die er op toelegt om anderen te verleiden, kan zeer veel goede wetten en zeer veel goede prediking krachteloos maken, en velen op zijn verderflijke wegen heentrekken, een zondaar kan het verderf wezen van een stad, zoals een Achan het gehele leger Israëls had beroerd. De wijze man, die de stad verlost heeft, zou er de hem verschuldigde achting en een beloning voor ontvangen hebben, indien niet deze of gene zondaar het had verhinderd en op hatelijke wijze zijn verdiensten had verkleind. En menig goed plan, wel beraamd voor het openbare welzijn is vernietigd geworden door de een of andere listige tegenstander ervan. De wijsheid van sommigen zou de natie genezen hebben, maar door de goddeloosheid van enkelen wilde zij niet genezen worden. Zie nu wie de vrienden en wie de vijanden zijn van een koninkrijk, indien een heilige veel goed doet en een zondaar veel goed verderft.