Genesis 2:21-25
Wij hebben hier: I. Het maken van de vrouw, om een geschikte hulp te zijn voor Adam. Dit geschiedde op de zesde dag, evenals het plaatsen van de mens in het paradijs, hoewel het hier vermeid wordt na het bericht van het rusten op de zevende dag, maar hetgeen in Hoofdstuk 1:27 gezegd werd in het algemeen, dat God de mens schiep, man en vrouw, wordt hier meer in bijzonderheden verhaald.
Merk op: 1. Dat Adam eerst geformeerd was, en daarna Eva, 1 Timotheus 2:13, en dat zij uit de man, en om de man is geschapen, 1 Corinthiërs 11:8, 9, hetgeen daar alles aangevoerd wordt als reden voor de nederigheid, bescheidenheid, het stille zijn, en de onderworpenheid van die sekse in het algemeen, en inzonderheid van de onderworpenheid, en de eerbied, die de huisvrouw aan haar echtgenoot verschuldigd is. Daar nu echter de man het laatst van alle levende wezens geschapen is, als de uitnemendste van allen, zo wordt, omdat Eva na Adam geformeerd werd, en uit hem gemaakt is, eer gelegd op die sekse als zijnde de heerlijkheid van de man, 1 Corinthiërs 11:7. Is de man het hoofd, zij is de kroon, een kroon voor haar echtgenoot, de kroon van de zichtbare schepping. De man was verfijnd stof, maar de vrouw was dubbel verfijnd stof, een graad verder verwijderd van de aarde.
2. Dat Adam sliep, terwijl zijn vrouw gemaakt werd, opdat er geen mogelijkheid zou zijn om te denken, dat hij hierin "de Geest des Heeren bestierd, of Hem als Zijn raadsman onderwezen heeft," Jesaja 40:13. Hij was zich bewust gemaakt van zijn behoefte aan een geschikte hulp, maar wijl God het op zich genomen heeft om er hem van een te voorzien, kwelt hij zich niet met enigerlei zorg hieromtrent, maar ligt neer in zoete, geruste slaap, als iemand, die al zijn zorgen op God geworpen heeft met een blijmoedige overgegevenheid van zich zelf en van al zijn belangen aan de wil en de wijsheid van zijn Maker. Jehova-Jireh, laat de Heere voorzien wanneer en met wie het Hem behaagt. Als wij Godvruchtiglijk rusten in God, zal God genadiglijk voor ons werken.
3. Dat God een diepe slaap op Adam deed vallen, een diepe slaap, opdat het openen van zijn zijde hem geen smart zou veroorzaken, zolang hij geen zonde kent, zal God er voor zorgen, dat hij geen pijn gevoelt. Als God in Zijn voorzienigheid aan Zijn volk doet, wat voor vlees en bloed smartelijk is, gaat Hij niet slechts te rade met hetgeen in de uitkomst goed en gelukkig voor hen zijn zal, maar door Zijn genade kan Hij zoveel rust geven in hun gemoed, dat zij ook onder de zwaarste operatie kalm en rustig zijn.
4. Dat de vrouw gebouwd werd uit een ribbe uit Adams zijde, niet uit zijn hoofd om hem te overtreffen, niet uit zijn voeten om door hem vertreden te worden, maar uit zijn zijde, om zijn gelijke te wezen, onder zijn arm, om door hem beschermd te worden, en nabij zijn hart om door hem te worden bemind. Adam verloor een ribbe, zonder enigerlei vermindering voor hem van kracht of schoonheid, want het vlees werd ongetwijfeld toegesloten, zonder dat er een litteken van overbleef, maar in de plaats daarvan had hij een hulp tegenover zich, die hem zijn verlies overvloedig vergoedde. Wat God Zijn volk ontneemt zal Hij hun op de een of andere wijze met winst teruggeven. Hierin (evenals in vele andere dingen) was Adam een type of voorbeeld van Hem, die komen zou, want uit de zijde van Christus, de tweede Adam, is Zijn bruid, de kerk, geformeerd, toen Hij de diepe slaap des doods sliep aan het kruis, waartoe Zijn zijde geopend werd, en er kwam bloed en water uit, bloed om Zijn kerk te verlossen, vrij te kopen, en water om haar zich te reinigen en te heiligen, zie Efeze 5:25, 26. II. Het huwelijk van de vrouw met Adam. Het huwelijk is eerlijk, maar dit huwelijk was voorzeker het meest eerlijke van allen, die er ooit geweest zijn, waarin God zelf zo geheel en al de hand gehad heeft. Huwelijken worden in de hemel gesloten (zegt men), voorzeker was dit zo met dit huwelijk, want de man, de vrouw, het huwelijk, het was alles van God gewild en gemaakt, door Zijn kracht heeft Hij beide gemaakt, en door Zijn inzetting heeft Hij die beide tot een gemaakt. Dit huwelijk werd in volkomen onschuld gesloten, hetgeen daarna nooit meer van enig huwelijk gezegd kon worden.
1. God heeft, als haar Vader, de vrouw tot de man gebracht, als zijn tweede ik, en als een hulp voor hem. Toen Hij haar gemaakt had, liet Hij haar niet over om over zich zelf te beschikken, neen, zij was Zijn kind, en zij moet niet huwen zonder Zijn toestemming. Diegenen zullen zich waarschijnlijk tot hun genoegen en vertroosting vestigen, die, door geloof en gebed, en in nederige afhankelijkheid van Gods voorzienigheid, zich onder Goddelijke leiding plaatsen. De vrouw, die door bijzondere genade Gods maaksel is, en door Gods bijzondere voorzienigheid tot de man gebracht werd, zal blijken een geschikte hulp voor hem te zijn, een hulp als tegen hem over.
2. Van God, als zijn Vader, heeft Adam haar ontvangen, vers 23, Deze is ditmaal been van mijn gebeente. Nu heb ik wat ik behoefde, en wat geen van de schepselen voor mij zijn kon een hulp als tegenover mij." Gods gaven moeten wij met nederige, dankbare erkenning van Zijn wijsheid ontvangen als voor ons geschikt, en als Zijn gunstbetoon jegens ons. Waarschijnlijk was het aan Adam in zijn slaap geopenbaard, dat het beminnelijke schepsel, dat hem nu voorgesteld werd, een deel was van hem zelf, zijn gezellin en de huisvrouw zijns verbonds zijn zou. Daarin hebben sommigen een bewijs gezien, dat de verheerlijkte heiligen in het hemels paradijs elkaar zullen kennen. En voorts gaf hij haar, ten teken, dat hij haar aannam, een naam, niet bijzonder aan haar, maar die aan geheel haar sekse gemeen zal zijn, zij zal vrouw, isha, manninne, heten, alleen in sekse, niet in natuur of aard van hem verschillende, gemaakt uit de man, en toegevoegd aan de man.
III. De inzetting van het huwelijk, en de vaststelling van de wet er van, vers 24. De sabbat en het huwelijk zijn twee verordeningen, die in de staat van de onschuld werden ingesteld, de eerste ter bewaring en instandhouding van de kerk, de tweede ter instandhouding van de wereld van het mensdom. Uit Mattheus 19:4-5, blijkt, dat het God zelf was, die hier gezegd heeft: "dat een mens vader en moeder zal verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen", maar of Hij het sprak door Mozes, de schrijver, of door Adam, die in vers 23 sprak, is onzeker, zij schijnen door Adam gezegd te zijn in de naam van God, aldus de wet stellende voor al zijn nageslacht.
1. Zie hier hoe groot de kracht is van een Goddelijke inzetting, de banden er van zijn sterker zelfs dan van de natuur. Aan wie kunnen wij meer verbonden zijn, dan aan de vader, die ons verwekt heeft, en de moeder, die ons heeft gebaard? Toch moet de zoon hen verlaten, om samengevoegd te zijn met zijn vrouw, en de dochter hen vergeten, Psalm 45:11, 12.
2. Zie hoe noodzakelijk het is, dat kinderen de toestemming hunner ouders hebben voor het huwelijk, en hoe onrechtvaardig zij zijn jegens hun ouders, zowel als ongehoorzaam, als zij zonder hun toestemming trouwen, want zij beroven hen van hun recht op hen, en hun deel in hen, en dragen het onrechtmatig en onnatuurlijk over aan anderen.
3. Zie hoeveel wijsheid en gebed er nodig is bij de keuze van die betrekking, die zo innig en zo duurzaam is. Het is wel nodig datgene goed te doen, wat gedaan wordt voor het gehele leven. 4. Zie hoe vast de huwelijksband is, die niet verdeeld of verslapt moet worden door vele vrouwen te hebben, Maleachi 2:15, noch verbroken of doorgesneden moet worden door echtscheiding om enigerlei andere oorzaak dan om hoererij of moedwillige verlating.
5. Zie hoe innig de liefde behoort te wezen tussen man en vrouw, gelijk hun eigen lichamen, Efeze 5:28. Deze twee zijn tot een vlees, laten zij ook een ziel zien.
IV. Een bewijs van de reinheid en onschuld van de staat, waarin onze eerste ouders geschapen waren, vers 25. Zij waren beide naakt, zij hadden geen behoefte aan klederen als een beschutting tegen koude of hitte, want noch koude, noch hitte kon hen schaden. Zij behoefden er geen ter versiering, Salomo in al zijn heerlijkheid was niet bekleed gelijk een van dezen, ja zij hadden er ook geen behoefte aan welvoeglijkheidshalve, zij waren naakt, maar hadden geen reden om zich te schamen. Zij wisten niet wat schaamte was, gelijk de Chaldeeuwse overzetting luidt. Een blos is thans de kleur van de deugd, maar zij was toen niet de kleur van de onschuld. Zij, die geen zonde hadden in hun consciëntie, konden geen schaamte hebben op hun gelaat, al was hun lichaam ook door geen kleren bedekt. HOOFDSTUK 3
1 De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs? 2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten; 3 Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft. 4 Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven; 5 Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. 6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at. 7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten. 8 En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs. 9 En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij? 10 En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt? 12 Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten. 13 En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten. 14 Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens. 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen. 16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. 17 En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. 18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. 19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren. 20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is. 21 En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan. 22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. 23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. 24 En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.