Genesis 29:31-35
Wij hebben hier de geboorte van vier Jakob's zonen, allen bij Lea.
Merk op
I. Dat Lea, die minder bemind was, met kinderen werd gezegend, terwijl aan Rachel die zegen wordt onthouden, vers 31. Zie hoe Gods voorzienigheid in de bedeling van zijn gaven naar evenredigheid handelt, teneinde het evenwicht te bewaren, kruisen en zegeningen tegenover elkaar stellende, opdat niemand zich te veel zou verheffen of te veel neergedrukt zou zijn. Rachel heeft geen kinderen, maar zij is bevoorrecht met de liefde van haar man, Lea derft die liefde, maar zij is vruchtbaar. Zo was het ook met de twee vrouwen van Elkana, 1 Samuël 1:5, want de Heere is wijs en rechtvaardig. Toen nu de Heere zag, dat Lea gehaat was, dat is: minder bemind dan Rachel, in welke zin en betekenis wij het haten moeten verstaan van vader en moeder in vergelijking namelijk met Christus, Lukas 14:26, toen heeft de Heere haar een kind geschonken.
Dit was een bestraffing voor Jakob omdat hij zo'n groot verschil maakte tussen haar, tot wie hij in gelijke betrekking stond, een bestraffing ook voor Rachel, omdat zij wellicht triomfeerde over haar zuster wegens de meerdere liefde van Jakob, en het was een vertroosting voor Lea, opdat zij niet neergedrukt zou zijn onder haar versmaadheid. Alzo "geeft God overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft," 1 Corinthiërs 12:24.
II. Dat de namen, die zij aan haar kinderen gaf, de uitdrukking waren van haar liefde en eerbied jegens God en jegens haar man.
1. Zij schijnt zeer begerig te zijn naar de liefde van haar echtgenoot. Dat zij die liefde derft, acht zij haar verdrukking te zijn, vers 32 die zij hem niet verwijt, niet als schuld toerekent, en zich dus ook daarom niet lastig of onbehaaglijk voor hem wil maken, maar zij neemt het ter harte en beschouwt het als een leed, dat zij geduldig had te dragen, te meer daar zij zelf toegestemd had in het bedrog, waardoor zij zijn vrouw was geworden, en wel mogen wij het verdriet geduldig dragen dat wij zelf door onze zonde en dwaasheid over ons gebracht hebben. Zij vleide zich dat de kinderen, die zij hem baarde, het deel in zijn liefde voor haar zouden winnen, dat zij begeerde. Zij noemde haar eerstgeborene Ruben. Zie! een zoon, met dit lieflijk denkbeeld: nu zal mijn man mij liefhebben, en haar derde zoon: Levi: Gevoegd, in de verwachting: Nu zal zich mijn man bij mij voegen, vers 34. Wederzijdse liefde is zowel de plicht als het genot van hen, die in deze betrekking tot elkaar staan, en echtgenoten behoren er zich op toe te leggen om elkaar te behagen, 1 Corinthiërs 7:33, 34.
2. Dankbaar erkent zij de vriendelijke beschikking Gods hierin: "De Heere heeft mijn verdrukking aangezien, vers 32, de Heere heeft gehoord, dat is: er acht op gegeven, dat ik gehaat ben", (want evenals onze verdrukking voor Gods ogen is, zo gaat er ook een geroep vanuit in Zijn oren) daarom heeft Hij mij ook deze zoon gegeven. In alles wat wij hebben, dat bijdraagt tot onze ondersteuning en vertroosting onder onze beproevingen, of tot onze verlossing er van, moet God erkend worden, inzonderheid Zijn barmhartigheid en ontferming. Haar vierde zoon noemde zij Juda, Lof, zeggende: ditmaal zal ik de Heere loven, vers 35. En deze was het, uit wie, voorzoveel het vlees aangaat, Christus is voortgekomen. Al wat ons een oorzaak is van blijdschap, moet ons een reden zijn om God te danken, nieuwe gunstbewijzen moeten ons opwekken om God te loven voor vroegere goedertierenheden. Ditmaal zal ik de Heere loven meer en beter dan ik totnutoe gedaan heb. Al onze lof moet in Christus zijn, omdat Hij er de oorzaak en de Middelaar van is. Hij stamde af van hem wiens naam was Lof, want Hij is onze Lof. Is Christus geformeerd in mijn hart? "Nu zal ik de Heere loven."