Genesis 29:1-8
Al de verschillende pleisterplaatsen op Israël's tocht naar Kanaän zijn nauwkeurig opgetekend, maar er is geen dagboek van Jakob's reis verder dan tot Beth-el. Neen, hij had niet meer zulke zalige nachten, zulke visioenen van de Almachtige als te Beth-el, die waren bestemd om een feestmaal te zijn, en dus moet hij ze niet als zijn dagelijks brood verwachten. Maar:
1. Er wordt ons hier meegedeeld hoe goedsmoeds hij voortreisde na zijn lieflijke gemeenschap met God te Beth-el. Toen hief Jakob zijn voeten op, vers 1. Toen ging hij snel en blijmoedig voorwaarts, niet gedrukt onder zijn zorgen, onbeklemd door vrees, in volle verzekerdheid dat God met hem was. Na de visioenen, die wij van God gehad hebben, en de geloften, die wij Hem gedaan hebben in plechtige inzettingen, behoren wij met een verruimd hart de weg van Zijn geboden te lopen, Hebreeën 12:1.
2. Hoe gelukkig hij zijn reis volbracht, Gods voorzienigheid leidde hem naar het veld, waar de kudden van zijn oom gedrenkt moesten worden, en daar ontmoette hij Rachel, zijn aanstaande huisvrouw.
Merk op:
a. De Goddelijke voorzienigheid moet erkend worden in al de kleine omstandigheden, die samenwerken om een reis of een andere onderneming aangenaam en voorspoedig te maken. Indien wij, als wij in verlegenheid zijn, ter rechter tijd hen ontmoeten, die ons kunnen raden en leiden, indien ons een ongeluk overkomt, en diegenen zijn in onze nabijheid, die ons willen helpen, dan moeten wij niet zeggen dat dit toevallig was, of dat het geluk ons diende, maar dat de Voorzienigheid ons heeft geleid, en dat God ons gunst betoond heeft. Onze wegen zijn wegen der lieflijkheid, als wij er voortdurend God in erkennen.
b. Zij, die kudden hebben, moeten er goed voor zorgen, naarstig zijn om het aangezicht van hun schapen te kennen, Spreuken 27:23. Wat hier gezegd wordt van de voortdurende zorg van herders voor hun schapen, vers 2, 3, 7-8, kan dienen om de tedere zorg voor te stellen, die onze Heere Jezus, de grote Herder der schapen, heeft voor Zijn kudde, dat is de kerk, want Hij is de goede Herder, die Zijn schapen kent en door hen gekend wordt, Johannes 10:15. De steen op de mond van de put, waarvan hier zo dikwijls melding wordt gemaakt, diende of om hun het eigendomsrecht er van te verzekeren, want water was schaars, het was daar niet tot ieders gebruik, of het diende om de put voor beschadiging te bewaren, door de hitte van de zon of door de een of andere kwaadwillige hand, of om te voorkomen, dat de lammeren er in zouden vallen en verdrinken.
c. Bijzondere belangen moeten geen verenigde en wederzijdse hulp in de weg staan, als al de herders met hun kudden bijeen waren gekomen, dan hebben zij als vriendelijke, liefdevolle naburen hun kudden gedrenkt.
d. Het betaamt ons beleefd en vriendelijk te spreken tot vreemdelingen. Jakob was geen hoveling, maar een eenvoudig man, wonende in tenten, toch spreekt hij zeer hoffelijk met de lieden, en noemt hen zijn broeders vers 4."de leer der goeddadigheid op de tong oefent grote macht," Spreuken 31:26. Sommigen denken dat hij hen broeders noemt, omdat zij allen hetzelfde bedrijf uitoefenden, herders waren, zoals hij. Hoewel hij nu verhoogd, bevorderd, stond te worden, schaamde hij zich toch niet voor zijn beroep. e. Zij, die achting betonen, zullen gewoonlijk ook achting ontvangen. Daar Jakob beleefd was jegens deze vreemdelingen, waren zij ook beleefd jegens hem. Toen hij het ondernam hen te leren hoe hun werk met spoed te volbrengen vers 7, hebben zij hem niet gezegd, dat hij zich met zijn eigen zaken meest bemoeien, maar ofschoon hij een vreemdeling was, gaven zij hem de reden van hun wachten, vers 8. Zij, die zich vriendelijk en als goede naburen betonen zullen ook met vriendelijkheid en voorkomendheid worden behandeld.