Genesis 27:6-17
Rebekka beraamt hier een middel om voor Jakob de zegen te verkrijgen, die voor Ezau bestemd was.
I. De bedoeling was goed, want zij werd voor haar oogmerk geleid door de Godsspraak, waardoor zij zich had laten besturen en beheersen in haar genegenheid. God had gezegd, dat de meerdere- de oudste-de mindere-de jongste-zal dienen, en daarom besluit Rebekka, dat het ook zo zijn zal, en zij kan het niet verdragen om te zien, dat haar echtgenoot nu in strijd met de Godsspraak zal gaan handelen. Maar:
II. De middelen waren slecht en in geen enkel opzicht te rechtvaardigen. Indien het al geen onrecht was tegenover Ezau om hem van de zegen te beroven (hij had die verbeurd door zijn geboorterecht te verkopen) dan was het toch een onrecht tegenover Izaak, om gebruik te maken van zijn zwakheid, om hem te bedriegen. Het was ook een onrecht jegens Jakob zelf, die zij leerde te bedriegen door hem een leugen in de mond te leggen, of tenminste in zijn rechterhand. Het zal hem ook blootstellen aan eindeloze twijfels omtrent de zegen, indien hij hem op bedrieglijke wijze verkreeg, namelijk of hij hem en de zijnen van enigerlei nut zou zijn, inzonderheid indien zijn vader hem zou herroepen na de ontdekking van het bedrog, hem nietig zou verklaren wegens een "error personce-een vergissing in de persoon." Hijzelf was zich ook bewust van het gevaar, vers 12, dat hij, zo hem de zegen ontging, hetgeen zeer waarschijnlijk was, de vloek van zijn vader over zich zou brengen, hetgeen hij meer vreesde dan wat het ook zij, en daarbij stelde hij zich ook bloot aan de vloek Gods, die uitgesproken is over hem, "die een blinde op de weg doet dolen," Deuteronomium 27:18. Indien Rebekka, toen zij Izaak de zegen hoorde beloven aan Ezau na zijn terugkomst van de jacht, tot Izaak was gegaan, om hem met ootmoed en ernst te herinneren aan hetgeen God gezegd had betreffende hun zonen, en indien zij hem voorts getoond had, hoe Ezau de zegen had verbeurd door zijn geboorterecht te verkopen en door vreemde vrouwen te huwen, dan zou zij waarschijnlijk Izaak overtuigd hebben om welbewust de zegen aan Jakob te geven, en dan zou het dus niet nodig zijn geweest dit door bedrog van hem te verkrijgen. Dit zou eervol en prijzenswaardig geweest zijn, en als een schone daad in de geschiedenis vermeld zijn, maar God heeft haar aan haarzelf overgelaten om die kronkelweg te volgen, opdat Hem de eer en heerlijkheid zou toegebracht worden, die goed uit kwaad heeft doen voortkomen, alsook, om door de zonden en dwaasheden van de mensen Zijn doeleinden tot stand te brengen, en opdat wij de voldoening zouden hebben om te weten, dat, hoewel er zoveel boosheid en bedrog in de wereld is, God het alles bestuurt en regeert naar Zijn wil en tot Zijn eigen heerlijkheid. Zie Job 12:16. "Bij Hem is kracht en wijsheid, Zijner is de dwalende en die doet dwalen." Izaak had het zintuig van het gezicht verloren, dat hier anders niet bedrogen had kunnen worden, daar Gods voorzienigheid op zo bewonderenswaardige wijze het verschil van gelaatstrekken heeft geregeld, dat geen twee aangezichten volkomen aan elkaar gelijk zijn, er zou bijna geen omgang tussen de mensen kunnen bestaan, indien deze verscheidenheid gemist werd. Daarom besluit zij nu maar om
1. Het zintuig van zijn smaak te bedriegen, door enige goede stukken van geitenvlees zo te bereiden en te kruiden, dat hij het voor wildbraad hield, hetgeen niet moeilijk was. Zie hier de dwaasheid van hen, die kieskeurig zijn op hun spijzen en er een eer in stellen om daaraan toe te geven. Het is gemakkelijk hen te bedriegen met hetgeen zij voorgeven te verachten, er een afkeer van te hebben, zo weinig verschilt het misschien van hetgeen waaraan zij zo beslist de voorkeur geven. Salomo zegt ons, dat smakelijke spijzen "een leugenachtig brood zijn," Spreuken 23:3, want het is mogelijk dat wij er op meer dan één wijze door bedrogen worden. 2. Ook zijn zintuig van het gevoel en de reuk. Zij deed Jakob Ezau's kleren aan, zijn beste kleren, die, naar men kon veronderstellen, Ezau aangedaan zou hebben als teken van blijdschap en van eerbied voor zijn vader, als hij de zegen ging ontvangen. Aan de stof, waaruit zij vervaardigd waren, hun vorm en geur kende Izaak ze als Ezau's kleren. Als wij een zegen willen verkrijgen van onze hemelse Vader, dan moeten wij er om tot Hem gaan in het gewaad van onze oudste Broeder, bekleed met de gerechtigheid van Hem, die de eerstgeborene is onder vele broederen. Opdat nu de gladheid en zachtheid van Jakob's handen en hals hem niet zouden verraden, bedekte zij ze, en waarschijnlijk ook een gedeelte van zijn gelaat, met de vellen van de geitenbokjes, die zo even geslacht waren, vers 16. Ezau moet wel zeer ruig zijn geweest, als niets minder dan dit nodig was om Jakob op hem te doen gelijken. Zij, die zich schijnen te beroemen op een ruwe woeste levenswijze, vertonen zich dus als dieren, en maken zich door deze vermomming te schande.
3. Eindelijk. Het was wel een zeer roekeloos woord, dat Rebekka sprak, toen Jakob bezwaar maakte wegens het gevaar van een vloek over zich te brengen. Uw vloek zij op mij, mijn zoon hoor alleen naar mijn stem, vers 13. Christus, die machtig is te verlossen, omdat Hij machtig is te dragen, heeft in waarheid gezegd: Uw vloek zij op Mij, alleen hoor naar Mijn stem, Hij heeft de last gedragen van de vloek, de vloek der wet, voor allen die het juk van het Evangeliegebod op zich nemen. Maar voor ieder schepsel, wie het ook zij, is het al te stoutmoedig om te zeggen: Uw vloek zij op mij, tenzij het een vloek zonder oorzaak is, en die dus niet komen zal, Spreuken 26:2.