Job 12:12-25
Dit is een verheven rede van Job betreffende de wijsheid, macht en soevereiniteit van God in het verordineren en beschikken van alle zaken van de kinderen der mensen naar de raad Zijns willens, die niemand durft tegenspreken en niemand kan weerstaan. Over dit onderwerp hebben Job en zijn vrienden uitnemend gesproken, hoezeer zij over andere zaken in gevoelen van elkaar verschilden. Het ware te wensen dat wijze en Godvruchtige mensen, die in zaken van minder belang in gevoelen met elkaar verschillen, tot het inzicht wilden komen dat het hun tot eer en welzijn en anderen tot stichting zou zijn, om het meest stil te staan bij de grote dingen, waarin zij het met elkander eens zijn. Over dit onderwerp sprekende, is Job zichzelf, dan zijn er geen hartstochtelijke klachten, geen gemelijke aanmerkingen, maar alles is mannelijk en groot.
I. Hij stelt de ondoorgrondelijke wijsheid en onweerstaanbare macht van God vast. Hij erkent dat er bij de mensen wijsheid is en verstand, vers 12, maar zij worden slechts bij weinigen gevonden, bij de ouden, bij hen die gezegend worden met lengte van dagen en ze dus door langdurige en voortdurende ervaring verkrijgen, en als zij dan wijsheid verkregen hebben, dan hebben zij hun kracht verloren, en zijn niet instaat om de resultaten hunner wijsheid in beoefening te brengen. Maar bij God is beide wijsheid en macht, wijsheid om te beramen wat het beste is, en kracht om hetgeen beraamd is ten uitvoer te brengen. Hij verkrijgt niet, zoals wij, raad en verstand door waarneming, maar heeft ze van eeuwigheid in zichzelf, vers 13. Wat is de wijsheid van oude lieden in vergelijking met de wijsheid van de Oude van dagen! Het is slechts weinig dat wij weten, en nog minder dat wij kunnen doen, maar God kan alles, en geen van Zijn gedachten kan afgesneden worden Hoofdst. 42:2. Zalig zij, die deze God tot hun God hebben want dan is ook de oneindige wijsheid en kracht voor hen! Dwaas en vruchteloos is al het streven van de mensen tegen Hem, vers 14. Hij breekt af en het zal niet herbouwd worden. Met Gods voorzienigheid valt niet te strijden, haar maatregelen kunnen niet verbroken worden. Gelijk hij tevoren gezegd heeft, Hoofdst. 9:12, Hij neemt weg, en wie kan Hem hinderen, zo zegt hij wederom: wat God zegt kan niet worden tegengesproken, en wat Hij doet niet ongedaan worden gemaakt. Er is geen wederopbouwen van hetgeen God in puin wil hebben liggen, getuige de toren van Babel, waaraan de bouwers niet konden voortbouwen, en de verwoesting van Sodom en Gomorra, die nooit kon worden hersteld. Zie Jesaja 25:2, Ezechiël 26:14, Openbaring 18:21. Er is geen bevrijden van hen, die God tot eeuwigdurende gevangenschap heeft veroordeeld, als Hij besluit iemand door ziekte tot armoede te brengen, dan is er voor hem geen opening. Hij sluit op in het graf, en niemand kan deze verzegelde deuren openbreken in de hel, in ketenen en in duisternis, en niemand kan over de grote kloof, die gevestigd is, heen komen.
II. Hij wijst, ten bewijze hiervan, op een voorbeeld in de natuur vers 15. Hij heeft "de wateren onder Zijn bevel, heeft ze in een kleed gebonden," Spreuken 30:4, "ze met Zijn vuist gemeten," Jesaja 40:12, en Hij kan de kinderen van de mensen straffen, hetzij door gebrek er aan, of door te grote overvloed ervan. Zoals de mensen de wetten van de deugd verbreken door uitersten naar beide zijden, terwijl de deugd in het midden ligt, zo straft God hen door uitersten, en onthoudt hun de zegen van het gemiddelde.
1. Grote droogten zijn soms grote oordelen: Hij houdt de wateren op en zij drogen uit, wanneer de hemel als koper is, dan is de aarde als ijzer, als de regen teruggehouden wordt, dan zullen de bronnen uitdrogen en haar rivieren falen, het veld verdort en de vruchten ontbreken, Amos 4:7. 2. Veel nattigheid is soms een groot oordeel, Hij laat de wateren uit, en zij keren de aarde om, de voortbrengselen ervan en de gebouwen erop. Van een wegvagenden regen wordt gezegd dat hij gebrek aan brood veroorzaakt Spreuken 28:3. Zie hoe velerlei middelen God heeft om met een zondig volk te strijden, en hun hun misbruikte, verbeurde zegeningen te ontnemen, en hoe volslagen onmachtig wij zijn om met Hem te strijden! Als wij de rangschikking of volgorde omkeren, dan kan dit vers zeer gepast verwijzen naar de zondvloed, dat eeuwig gedenkwaardige voorbeeld van Gods macht. Toen heeft God in Zijn toorn de wateren uitgezonden en zij keerden de aarde om, maar in Zijn barmhartigheid heeft Hij ze opgehouden, heeft Hij de vensteren des hemels gesloten, alsmede de fonteinen des groten afgronds, en toen zijn zij binnen weinig tijds opgedroogd.
III. Hij geeft vele voorbeelden ervan in Gods krachtig bestuur over de kinderen der mensen, ingaande tegen hun voornemens en bedoelingen, en door hen en aan hen Zijn eigene tot stand brengende, hun raadslagen en pogingen verijdelende, en over al hun tegenstand zegevierende. Welke veranderingen brengt God niet teweeg voor de mensen, en hoe gemakkelijk en verrassend doet Hij het!
In het algemeen, vers 16. Bij Hem is kracht en wijsheid, kracht en bestaanbaarheid met zichzelf, het is een sierlijk woord in het oorspronkelijke. Bij Hem is het wezen van de wijsheid. Bij Hem zijn kracht en al wat is-zo lezen het sommigen. Hij is wat Hijzelf is, en door Hem en in Hem bestaat alles. Deze kracht en wijsheid hebbende, weet Hij gebruik te maken, niet alleen van hen die wijs en Godvruchtig zijn en Hem gaarne en met een voornemen des harten dienen, maar zelfs van hen die dwaas en slecht zijn, en die, naar wij zouden denken volstrekt niet dienstbaar gemaakt kunnen worden aan de bedoelingen van Zijn voorzienigheid. Zijn is de dwalende en die doet dwalen. De eenvoudigste mensen, die misleid worden, zijn niet beneden Zijn aandacht, de listigste mensen die bedriegen en misleiden, kunnen met al hun slimheid niet aan Zijn aandacht ontsnappen. De wereld is vol van bedrog, de ene helft van het mensdom bedriegt de andere helft, en God laat het toe, en door beide zal Hij zich ten laatste verheerlijken. De bedriegers maken werktuigen van de bedrogenen, maar de grote God gebruikt hen beide als werktuigen waarmee Hij werkt, en niemand kan Hem afkeren. Hij heeft wijsheid en macht genoeg om al de dwazen en ondeugenden te leiden naar Zijn wil, en weet zich van hen te bedienen om Zijn voornemens en doeleinden tot stand te brengen, in weerwil van de zwakheid van de ene en de slechtheid van de andere. Toen Jakob door bedrog de zegen verkreeg, werd de bedoeling van Gods genade tot stand gebracht, toen Achab door een valse profetie overreed werd tot een krijgstocht, die zijn verderf bleek te zijn, werd het plan van Gods gerechtigheid gediend, en in beide waren de bedrogene en de bedrieger tot Zijn beschikking. Zie Ezechiël 14:9. God zou de zonde van de bedrieger, noch de ellende van de bedrogene toelaten indien Hij aan beide geen grenzen kon stellen, zodat Hij door beide eer en heerlijkheid ontvangt. Halleluja! want de Heere, de almachtige God heerst aldus, en het is goed dat Hij aldus heerst, want er is zo weinig wijsheid en zo weinig eerlijkheid in de wereld, dat anders al lang alles in wanorde en verwoesting zou zijn.
Vervolgens daalt hij af tot de bijzondere voorbeelden van de wijsheid en macht Gods in de omwentelingen van staten en koninkrijken, want daaraan ontleent hij zijn bewijzen, veeleer de aan dezelfde werkingen van Gods voorzienigheid betreffende particuliere personen of geslachten, omdat hoe hoger en hoe meer openbaar de betrekking is, waarin de mensen geplaatst zijn, hoe meer kennis er genomen wordt van de veranderingen, die er met hen plaatshebben, en hoe glansrijker bijgevolg Gods voorzienigheid er in uitkomt. En het is gemakkelijk aldus te redeneren: indien God de groten van de aarde aldus kan wegwerpen en voortrollen, zoals men een bal voortrolt in een land, wijd van omvang (zoals de profeet spreekt, Jesaja 22:18) hoeveel meer dan niet de kleinen, en zo is het dan de grootste waanzin om te strijden met Hem, aan wie staten en koninkrijken zich hebben te onderwerpen. Sommigen denken dat Job hier doelt op de verdelging van de machtige volken, de Refaieten en de Zuzieten en de Emieten en de Horieten, vermeld in Genesis 14:5, 6, Deuteronomium 2:10, 20, waarin misschien zeer bijzonder werd opgemerkt op hoe vreemde wijze zij verdwaasd en verzwakt waren. Indien dit zo is, dan is het bedoeld om aan te tonen dat, wanneer het ook zij, dat iets dergelijks geschiedt in de zaken van de volken, het God is, die het doet, en dat wij er Zijn soevereine heerschappij in moeten opmerken zelfs over hen die zich het machtigst wanen en het meeste beleid denken te hebben. Vergelijk hiermede wat Elifaz gezegd heeft, Hoofdst. 5:12 en verv.
Laat ons de bijzondere veranderingen nagaan die hier worden aangegeven en die God werkt in personen, hetzij tot verderf en verwoesting van volken en de planting van anderen in hun plaats, of tot het verwerpen en doen verdwijnen van een bijzondere regering en het verheffen van een andere in haar plaats, dat een zegen kan zijn voor dat koninkrijk, getuige de glorierijke revolutie in ons eigen land, waarin wij een even gelukkige verklaring zagen van deze woorden van Job, als ooit elders gegeven was.
1. Zij, die wijs zijn, worden soms op vreemde wijze verdwaasd, en daarin moet de hand van God worden erkend, vers 17. Hij voert de raadsheren beroofd weg, als trofeeën van Zijn overwinning over hen, beroofd van al de eer en de rijkdom, die zij door hun wijsheid verkregen hebben, ja beroofd van de wijsheid zelf, om welke zij beroemd waren, en van het succes, dat zij zich beloofd hebben op hun plannen, Zijn raad bestaat, terwijl al hun raadslagen teniet worden, en hun plannen worden verijdeld, en zo zijn zij beroofd beide van de voldoening en van de reputatie hunner wijsheid. Hij maakt de rechters uitzinnig. Door een werking op hun geest ontneemt Hij hun de bekwaamheid en geschiktheid voor zaken, en zo worden zij in werkelijkheid dwazen, en door Zijn beschikken over hun zaken maakt Hij hun plannen tot het tegenovergestelde van hetgeen zij bedoelden, en aldus geeft Hij hun dan het voorkomen van dwazen. De raad van Achitofel, waarin deze Schriftuurplaats op merkwaardige wijze bewaarheid werd, werd tot dwaasheid, en zo is hij, overeenkomstig zijn naam, "de broeder van een dwaas." Zie Jesaja 19:13. "De vorsten van Zoan zijn zot geworden-zij zullen ook Egypte doen dwalen, zelfs hen, die de steun zijn van deszelfs stammen." Zo beroeme de wijze zich niet op zijn wijsheid, en laat de bekwaamste raadsheren en rechters zich niet verhovaardigen op hun hoge stand maar nederig afhankelijk zijn van God voor de voortduur hunner bekwaamheid. Zelfs de ouden, die hun wijsheid als door het recht van verjaring schijnen te houden, en denken dat zij haar door hun eigen vlijt en inspanning hebben verkregen, en er dus een onvervreemdbaar, onschendbaar recht op hebben, kunnen er nog van beroofd worden, en zijn het ook dikwijls door de zwakheden en gebreken van de ouderdom waardoor zij ten tweeden male kinderen worden der ouden oordeel neemt Hij weg, vers 20. De ouden, op wier raad het meest gesteund werd, falen hun, die op hen betrouwden. Wij lezen van een oud en zot koning, Prediker 4:13.
2. Zij, die in hoogheid waren en gezag uitoefenden, werden op vreemde wijze vernederd en verlaagd, verarmd en tot slavernij gebracht, en het is God, die hen vernedert, vers 18. De band van de koningen maakt Hij los, ontneemt hun de macht, waarmee zij heersten over hun onderdanen, die misschien in slavernij hielden en met hardheid regeerden, berooft hen van al de tekenen hunner eer en waardigheid en al de steunselen hunner tirannie, ontgespt hun gordel, zodat het zwaard van hun zijde valt, en dan is het niet te verwonderen dat hun ook weldra de kroon van het hoofd valt, waarop terstond volgt: Hij bindt de gordel aan hun lenden, een teken van dienstbaarheid, want aan dienaren werden de lenden omgord. Aldus voert Hij grote vorsten weg, beroofd van al hun macht en rijkdom en hetgeen waarin zij zich verlustigden en waarop zij zich verhovaardigden, vers 19. Koningen vallen niet buiten Gods rechtsgebied. Voor ons zijn zij goden, maar voor Hem zijn zij mensen, en zij zijn aan meer dan de gewone veranderingen van het menselijke leven onderworpen.
3. Zij, die sterk waren, zijn op wonderlijke wijze verzwakt, en het is God, die hen verzwakt, vers 21. De machtigen keert Hij om vers 19. Sterke, krachtige lichamen worden verzwakt door ouderdom en ziekte, machtige heirscharen gaan teniet, en haar kracht zal ze niet voor een noodlottige omkering of omverwerping behoeden. Geen macht, zelfs niet die van een Goliath, is bestand tegen de almacht.
4. Zij, die beroemd waren om hun welsprekendheid en aan wie de openbare belangen waren toevertrouwd, zijn op vreemde wijze tot zwijgen gebracht, zij hebben niets te zeggen, vers 20. Hij beneemt de getrouwen de spraak, zodat zij niet kunnen spreken zoals zij voornemens waren te spreken, met vrijmoedigheid en duidelijkheid, maar stamelen en stotteren, en zich vergissen. Of wel: zij kunnen niet zeggen wat zij hadden willen zeggen, maar zeggen het tegenovergestelde, zoals Bileam, die hen heeft gezegend, die hij geroepen was te vloeken. Laat dus de redenaar niet trots zijn op zijn redekunst noch haar gebruiken voor een slecht doeleinde opdat God, die de mens de mond gemaakt heeft, haar hem niet ontneme.
5. Zij, die geëerd en bewonderd waren, vallen op vreemde wijze in versmaadheid en schande vers 21. Hij giet verachting over de prinsen uit. Hij laat hen over aan hen zelf, om lage dingen te doen, of brengt verandering in der mensen mening van hen. Als prinsen God onteren en Hem verachten, indien zij het volk Gods smaden en vertreden, dan zullen zij licht geacht worden, en God zal verachting over hen uitgieten. Zie Psalm 107:40. Gewoonlijk zijn zij, die trots en beledigend waren toen zij macht hadden, het laagst en verachtelijkst als zij naar beneden zijn gebracht, en dan zijn zij ook het meest aan de smaad en de verachting van anderen blootgesteld.
6. Hetgeen verborgen was, wordt op vreemde wijze aan het licht gebracht, en voor aller oog blootgesteld, vers 22. Hij openbaart de diepten uit de duisternis. Komplotten, die in het geheim gesmeed werden, worden ontdekt en verijdeld, slechtheid in het duister gepleegd en kunstig bedekt gehouden, wordt ontdekt, en de schuldigen ondergaan hun rechtmatige straf, evenzo ook verraad, moord en hoererij, die in het geheim worden gepleegd, Prediker 10:20. De kabinetraad van de vorsten ligt open voor Gods oog, 2 Koningen 6:11. K
7. Koninkrijken hebben hun eb en vloed, hun wasdom en bloei en hun kwijnen en afnemen en beide toestanden zijn van God, vers 23. Soms vermenigvuldigt hij de volken, breidt hun grenzen uit, zodat zij van groot gewicht zijn, een groot aanzien hebben en geducht worden, maar na een wijle worden zij door een onbemerkte oorzaak tot verderf en verval gebracht. Hun aantal neemt af, zij worden arm, en zo komen zij er toe om geminacht te worden onder hun naburen, en zij, die het hoofd waren, worden de staart van de volken. Zie Psalm 107:38, 39.
8. Zij, die kloekmoedig waren en op geen gevaar achtten, worden op vreemde wijze ontmoedigd en terneergeslagen, verward, hulpeloos en teneinde raad, en ook dit is van de Heere, vers 24. Hij neemt het hart van de hoofden des volks van de aarde weg, die hun aanvoerders en gebieders waren, vermaard zijn geweest om hun krijgshaftig vuur en hun grote krijgsverrichtingen zijn, toen er iets gedaan moest worden, moedeloos, gereed om op het ritselen van een blad de vlucht te nemen, Psalm 76:6.
9. Zij, die hun plannen met alle spoed wilden volvoeren, staan wonderlijk verlegen en weten niet wat te doen. Zij zijn wankelmoedig in hun raad, onzeker in hun bewegingen, veranderlijk in hun besluiten, gaan hierheen en daarheen, dwalen in het woeste waar geen weg is, vers 24, tasten rond als in het donker, en dwalen als een dronkaard, vers 25. Jesaja 59:10. God kan de diepzinnigste staatslieden in verlegenheid brengen, en de grootste vernuften er toe brengen, dat zij teneinde raad zijn, zich niet weten te redden, om te tonen dat in de zaak, waarin zij trotselijk gehandeld hebben, Hij boven hen is.
Zo worden de omwentelingen van koninkrijken verwonderlijk teweeggebracht door de allesbesturende voorzienigheid Gods. Hemel en aarde worden bewogen, maar de Heere zit als Koning in eeuwigheid, en met Hem zien wij uit naar een koninkrijk, dat niet bewogen kan worden.