Genesis 27:41-46
Hier is:
I. De haat, die Ezau Jakob toedroeg vanwege de zegen, die hij had verkregen, vers 41. Zo ging hij dan op de weg van Kaïn, die zijn broeder doodde, omdat hij die aanneming van God had verkregen, die hij zichzelf onwaardig had gemaakt. Ezau's haat van Jakob was:
1. Zonder oorzaak, hij haatte hem om geen andere reden, dan omdat zijn vader hem had gezegend en God hem liefhad. Het geluk der heiligen is de afgunst der zondaren. Die de hemel zegent, zal de hel vloeken.
2. Het was een wrede haat, niets minder kon hem bevredigen dan zijn broeder te doden. Het is het bloed der heiligen, waar de vervolgers naar dorsten. Ik zal mijn broeder doden, hoe kon hij dat woord zonder afschuw uitspreken? Hoe kon hij hem broeder noemen, en hem de dood zweren? De woede van de vervolgers zal door geen enkele band, ook de sterkste en de heiligste niet, gebonden worden.
3. Het was een haat, die er op rekende zijn woede te kunnen botvieren. Hij verwachtte dat zijn vader wel spoedig zou sterven, en dan zullen recht en aanspraak onderzocht worden, en zal er voor belangen gestreden worden tussen de broeders, hetgeen hem dan een schone gelegenheid zal geven om zich te wreken. Hij acht het niet genoeg zelf op zijn zwaard te leven, vers 40, als zijn broeder er niet door sterft. Zolang zijn vader leeft wil hij hem niet bedroeven, daarom stelt hij de voorgenomen moord uit tot na zijn dood, er zich weinig om bekreunende hoe hij dan zijn nog levende moeder zou bedroeven. Het zijn slechte kinderen, voor wie hun goede ouders een last zijn, en die om de een of andere reden verlangen naar de dagen van rouw over hen. Onder de dwang van uitwendige omstandigheden worden slechte mensen lang weerhouden om het kwaad te doen, dat zij wilden, en zo komen dan hun boze voornemens tot niets. Zij, die denken Gods raadsbesluiten te kunnen verijdelen, zullen ongetwijfeld zelf teleurgesteld worden. Ezau legde het er op toe om te voorkomen, dat Jakob of zijn nageslacht de heerschappij zou hebben, door hem het leven te benemen voor hij nog gehuwd was, maar wie kan tenietdoen wat God heeft gesproken? De mensen kunnen zich ergeren aan Gods raadsbesluiten, maar zij kunnen er geen verandering in brengen.
II. Rebekka's maatregelen om het kwaad te voorkomen.
1. Zij gaf aan Jakob kennis van het gevaar, waarin hij zich bevond, en raadde hem zich voor een wijle terug te trekken, om aldus voor zijn eigen veiligheid te zorgen. Zij deelt hem mee wat zij omtrent Ezau's plannen had gehoord, en dat hij zich troostte met de hoop op een gelegenheid om zijn broeder te doden, vers 42. Kan men het zich voorstellen, dat zulk een barbaarse, bloeddorstige gedachte iemand tot troost kan strekken? Indien Ezau zijn voornemen voor zich had kunnen houden zou zijn moeder er hem niet van verdacht hebben, maar de onbeschaamdheid van de mensen in de zonde wordt hun dikwijls tot verblinding, en zij kunnen hun boosheid niet volvoeren, omdat hun woede te heftig is om verborgen te blijven, en "het gevogelte des hemels zal de stem wegvoeren." Prediker 10:20.
Merk hier op: a. Wat Rebekka vreesde: dat zij op een dag van haar beide kinderen beroofd zal worden, vers 45, beroofd, niet slechts van de vermoorde, maar van de moordenaar, die, hetzij door de magistraat of onmiddellijk door de hand van God, aan de gerechtigheid ten offer zou worden gebracht, waarin zij zelf zal moeten berusten, en het niet mag trachten te verhinderen. Of indien niet, dan zou zij toch voortaan van alle blijdschap en vertroosting in hem beroofd wezen. Zij, die dood zijn voor eer en deugd, zijn in zekere zin ook dood voor hun vrienden. Met welk genot of genoegen kan men zien op een kind, dat niet anders dan als een kind des duivels beschouwd kan worden?
b. Wat Rebekka hoopte. Dat, zo Jakob voor een tijd buiten het gezicht bleef van zijn broeder, deze het hem aangedane leed, waarover hij nu in zo'n heftige toorn was ontstoken, zou vergeten. De kracht der hartstochten wordt verzwakt door de afstand van plaats en van tijd, en zo zullen die hartstochten dan ten laatste geheel verdwijnen. Zij vleide zich, dat de toorn van zijn broeder afgewend zou worden. Door toegevendheid zullen dikwijls grote grieven verzacht en als uitgewist worden, en zelfs zij, van wie de zaak goed en rechtvaardig is en die God aan hun zijde hebben, behoren toch hiervan, evenals van andere gepaste hulpmiddelen, tot hun eigen beveiliging gebruik te maken.
2. Zij overtuigde Izak van de noodzakelijkheid om Jakob naar haar bloedverwanten te zenden, om nog een andere reden, namelijk om er een vrouw te krijgen, vers 46. Zij wilde hem geen kennis geven van Ezau's goddeloos plan tegen het leven van Jakob, opdat hem dit niet zou ontroeren, maar sloeg met wijsheid en voorzichtigheid een andere weg in om tot haar doel te komen. Izaak was even misnoegd en bedroefd evenals zij over Ezau's ongelijk huwelijk met Hethietische vrouwen, en daarom beweegt zij hem om zeer goede redenen, om Jakob te laten huwen met een vrouw van betere beginselen. De ene misstap moet als waarschuwing dienen, om een andere te voorkomen, diegenen zijn wel zeer onachtzaam, die zich tweemaal aan dezelfde steen stoten. Toch schijnt Rebekka zich wel met al te veel warmte te hebben uitgelaten over deze zaak toen zij zei: Indien Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn? Want, Gode zij dank, onze vertroosting, ons levensgeluk, hangt niet af van een enkel persoon. Wij kunnen het levenswerk doen, en de vertroostingen van het leven genieten, al is het ook dat ons niet alles naar de zin gaat, en al zijn onze bloed- of aanverwanten ons niet in alle opzichten aangenaam. Wellicht heeft Rebekka zich zo sterk uitgedrukt, omdat zij zag dat dit nodig was om Izaak er toe te bewegen spoedig zijn orders dienaangaande te geven.
Merk op, dat hoewel Jakob zeer gewillig en volgzaam was en wel bevestigd was in zijn Godsdienst, het toch nodig was om hem de verzoeking uit de weg te doen gaan. Zelfs hij was in gevaar, om het slechte voorbeeld van zijn broeder na te volgen en erdoor in een strik te worden gelokt. Wij moeten niet al te veel vertrouwen op de wijsheid en vastberadenheid, zelfs van die kinderen die het meest-belovend zijn, maar er zorg voor dragen om hen het kwaad uit de weg te laten blijven.