Genesis 26:1-5
I. Hier heeft God Izaak beproefd in de weg van de voorzienigheid. Izaak was opgevoed in gelovig vertrouwen op de Goddelijke schenking van het land Kanaän aan hem en zijn erfgenamen, maar nu is er honger in dat land, vers 1, en wat zal hij nu denken van de belofte, als het beloofde land geen brood voor hem heeft? Is zulk een schenking waard om aangenomen te worden, op zulke voorwaarden en na zo'n lange tijd? Ja, Izaak zal zich nog houden aan het verbond, en hoe minder waardij Kanaän in zichzelf schijnt te hebben, hoe meer hem geleerd wordt het te waarderen:
1. Als een teken van Gods eeuwige goedertierenheid over hem, en
2. Als een type van de hemelse, eeuwige gelukzaligheid. De innerlijke waarde van Gods beloften kan in het oog van de gelovige niet door tegenspoeden verminderd worden.
II. In deze beproeving heeft Hij hem bestuurd door Zijn woord. Izaak ziet zich door de schaarsheid van levensmiddelen in verlegenheid gebracht. Hij moet ergens heengaan om voorraad te krijgen, en hij schijnt voornemens te zijn om naar Egypte te gaan, waar zijn vader in gelijke omstandigheden ook heengegaan is, maar op weg daarheen doet hij Gerar aan, terwijl hij bij zichzelf overlegt waarheen hij zich wenden zal, totdat God hem genadig verscheen en hem tot zijn grote voldoening tot een beslissing bracht.
1. God gebood hem te blijven waar hij was en niet naar Egypte te trekken, vers 2, 3. Woon in dit land. Er was daar honger in de tijd van Jakob, en hem gebood God naar Egypte te trekken, Hoofdstuk 46:3, 4, een honger in Izaaks dagen en hem gebood God niet af te trekken, een honger in Abrahams tijd, en God liet hem vrij om er al of niet heen te gaan. Deze verscheidenheid in Gods wijze van handelen (in aanmerking genomen dat Egypte altijd een land van beproeving is geweest voor Gods volk) gronden sommigen op de verschillende karakters van deze drie aartsvaders. Abraham was een man van zeer grote gaven, die innige gemeenschap oefende met God, voor hem waren alle plaatsen en toestanden gelijk. Izaak was een zeer goed en Godvruchtig man, maar er niet voor berekend om grote verdrukking te lijden, en daarom wordt hem verboden af te trekken naar Egypte. Jakob was gewend aan en gehard tegen moeilijkheden, sterk en geduldig, daarom moet hij naar Egypte gaan, opdat "de beproeving van zijn geloof zou zijn tot lof en eer en heerlijkheid." Aldus laat God de beproevingen van Zijn volk in evenredigheid zijn met hun kracht.
2. Hij belooft met hem te zullen zijn en hem te zegenen, vers 3. Gelijk wij overal getroost en goedsmoeds heen kunnen gaan, als Gods zegen met ons gaat, zo kunnen wij overal gerust en tevreden blijven, indien die zegen met ons blijft.
3. Hij hernieuwt het verbond met hem, dat zo dikwijls met Abraham was gemaakt, herhaalt en bevestigt de beloften van het land Kanaän, een talrijke nakomelingschap, en de Messias, vers 3, 4. Zij, die moeten leven door geloof, hebben het nodig om de beloften waarop zij moeten leven, dikwijls te herzien en voor zichzelf te herhalen, inzonderheid als zij tot lijden of zelfverloochening worden geroepen.
4. Hij beveelt hem het goede voorbeeld aan van de gehoorzaamheid van zijn vader, als hetgeen de erfenis van het verbond in zijn geslacht heeft bewaard, vers 5. Abraham is Mijn stem gehoorzaam geweest. "Doe ook gij dit, en dan zal ook de belofte u verzekerd wezen." Abrahams gehoorzaamheid wordt hier herdacht tot zijn eer, want daardoor heeft hij van God en mensen een goed getuigenis gekregen. Een grote verscheidenheid van woorden wordt hier gebruikt om de Goddelijke wil uit te drukken, waaraan Abraham gehoorzaam is geweest: Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten, hetgeen te kennen kan geven dat Abrahams gehoorzaamheid algemeen was, overal in gezien werd, hij gehoorzaamde de oorspronkelijke wetten van de natuur, de geopenbaarde wetten der aanbidding Gods inzonderheid die van de besnijdenis, en al de buitengewone voorschriften, die God hem had gegeven, zoals dat van het verlaten van zijn geboorteland, en dat (hetwelk volgens sommigen hier vooral bedoeld wordt) van het Hem offeren van zijn zoon, en Izak had voorzeker alle reden om dat te gedenken. Alleen diegenen zullen het voordeel en de vertroosting genieten van Gods verbond met hun Godvruchtige ouders, die in de voetstappen hunner gehoorzaamheid wandelen.