Genesis 26:6-11
Izaak had nu ieder denkbeeld om naar Egypte te trekken opgegeven, en in gehoorzaamheid aan het Goddelijk gezicht slaat hij zijn tent op te Gerar, het land, waarin hij geboren was, vers 6 , maar daar komt hij in verzoeking, dezelfde verzoeking, waardoor zijn goede vader twee malen verrast en overwonnen werd, namelijk om zijn vrouw te verloochenen, voor te geven dat zij zijn zuster was.
Merk op:
1. Hoe hij zondigde, vers 7. Omdat zijn vrouw schoon was, verbeeldde hij zich dat de Filistijnen wel het een of ander middel zouden vinden om hem uit de weg te ruimen, zodat dan de een of ander haar zou kunnen huwen en daarom moet zij maar voor zijn zuster doorgaan. Het is onverklaarbaar hoe deze beide grote en Godvruchtige mannen zich schuldig konden maken aan zo'n vreemdsoortige veinzerij, waardoor zij hun eigen goede naam en de goede naam van hun vrouwen in de waagschaal stelden. Maar wij zien:
a. Dat zeer Godvruchtige mensen zich soms aan zeer grote fouten en dwaasheden hebben schuldig gemaakt. Dat zij dus, die staan, toezien dat zij niet vallen, en zij, die gevallen zijn, er niet aan wanhopen om weer opgericht te worden. Wij zien:
b. Dat er een neiging in ons is om zelfs de zwakheden en gebreken na te volgen van hen, voor wie wij grote achting hebben. Daarom is het nodig om onze voet te bewaren, opdat wij, terwijl wij er naar streven in de voetstappen der Godvruchtigen te treden, niet soms in hun misstappen treden.
2. Hoe hij betrapt en het bedrog ontdekt werd. Abimelech (niet dezelfde uit Abrahams dagen) Hoofdstuk 20, want er waren sedert meer dan honderd jaren verlopen, maar dit was de gewone naam van de Filistijnse koningen, zoals Caesar van de Romeinse keizers) zag Izak meer gemeenzaam met Rebekka dan hij wist, dat hij met zijn zuster zijn zou, vers 8. Hij zag hem jokkende met haar of lachende, het is hetzelfde woord, waaraan zijn naam is ontleend hij "verblijdde zich met de huisvrouw zijner jeugd" Spreuken 5:18. Het betaamt hun, die in zulk een betrekking tot elkaar staan, om vrolijk met elkaar te zijn, als behagen scheppende in elkaar. Nergens is het aan een man meer geoorloofd om op onschuldige wijze vrolijk te zijn dan bij en met zijn eigen vrouw en kinderen. Abimelech beschuldigde hem van het bedrog, vers 9, en toonde hem hoe kinderachtig zijn verontschuldiging was, en welke kwade gevolgen er uit hadden kunnen voortkomen, vers 10. En om hem nu te bewijzen hoe ongegrond en onrechtvaardig zijn verdenking van hen was, nam hij hem en zijn gezin onder zijn bijzondere bescherming, verbood op straffe des doods, dat aan hem of aan zijn vrouw enig leed zou gedaan worden, vers 11. Een valse tong is maar voor een ogenblik, waarheid is de dochter van de tijd, en mettertijd zal zij uitkomen. De ene zonde is dikwijls de deur, door welke vele andere binnenkomen, daarom moet het begin der zonde vermeden worden. De zonden van de belijders beschamen hen voor wie nog buiten staan. God kan hen, die vertoornd zijn op Zijn volk, al schijnen zij daar wel enige reden voor te hebben, doen weten dat het gevaarlijk voor hen is om hun op enigerlei wijze leed te doen. Zie Psalm 105:14, 15.