Genesis 24:1-9
Wij kunnen betreffende Abraham hier drie dingen opmerken.
I. De zorg, die hij droeg voor een goede zoon om hem goed te doen huwen. Het was nu hoog tijd om hieraan te denken, want Izaak was toen omstreeks veertig jaar oud, en het was onder zijn voorouders gewoonte om op dertigjarige leeftijd te trouwen, of vroeger Hoofdstuk 11:14, 18, 22, 24. Abraham geloofde in de opbouw van zijn geslacht, en daarom heeft hij niet gehaast, ten einde het welslagen, niet te benadelen. Er waren twee overwegingen, die hem bewogen, om er nu aan te denken, vers 1.
1. Dat hij zelf waarschijnlijk spoedig de wereld zou verlaten, want hij was oud en welbedaagd, en het zou hem een voldoening zijn om zijn zoon gevestigd te zien eer hij stierf, en:
2. Dat hij een mooi vermogen had om na te laten, want de Heere had hem in alles gezegend, en de zegen des Heeren, die maakt rijk. Zie hoe zeer Godsdienst en vroomheid bevorderlijk zijn voor uitwendige voorspoed. Nu was het Abrahams Godvruchtige zorg voor zijn zoon:
a. Dat hij niet zou huwen met een dochter van Kanaän, maar met iemand van zijn geslacht, omdat hij opgemerkt had dat de Kanaänieten ontaardden tot grote slechtheid en door openbaring wist, dat zij het verderf gewijd waren, daarom wilde hij niet dat zijn zoon onder hen zou huwen, opdat zij geen strik zouden zijn voor zijn ziel, of tenminste een vlek op zijn naam.
b. Dat hij echter het land Kanaän niet mocht verlaten dus niet zelf naar zijn bloedverwanten moest gaan, zelfs niet om er een vrouw te gaan kiezen, opdat hij niet in verzoeking zou komen om er zich te vestigen. Die waarschuwing wordt gegeven in vers 6, en herhaald in vers 8. "Wat er ook gebeure, breng mijn zoon daar niet weer heen. Laat hem liever geen vrouw hebben, dan zich aan die verzoeking bloot te stellen." Ouders, die over hun kinderen beschikken, behoren zorgvuldig te rade te gaan met het welzijn van hun ziel en hun vorderingen op weg naar de hemel. Zij, die door genade ontkomen zijn aan het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid, en dienovereenkomstig hun kinderen hebben opgevoed moeten zich wachten er wederom in gewikkeld te worden en er door overwonnen te worden 2 Petrus 2:20. "Wacht u, dat gij hem daar niet weer heenbrengt," Hebreeën 11:15.
II. Die opdracht gaf hij aan een goede dienstknecht, waarschijnlijk aan Eliëzer van Damascus, een, van wie hij beleid, getrouwheid en genegenheid voor hem en zijn gezin door langdurige ervaring had leren kennen. Hem, en niet Izaak zelf, vertrouwde hij dit grote belang toe omdat hij niet wilde dat Izaak in dat land zou komen, maar er bij volmacht zou huwen, en geen gevolmachtigde was zo geschikt als deze bezorger van zijn huis. Die zaak wordt tussen meester en dienstknecht met zeer veel zorg en grote plechtigheid geregeld en in orde gebracht.
1. De dienstknecht moet zich onder ede verbinden het uiterste te doen om voor Izaak een vrouw te krijgen uit zijn bloedverwanten vers 2-4. Abraham neemt hem de eed hiervoor af tot zijn eigen voldoening, en om zijn dienstknecht te verplichten alle mogelijke zorg en vlijt hiervoor aan te wenden. Zo legt God ook Zijn dienstknechten onder ede de verplichting op te arbeiden, opdat zij, gezworen hebbende, hun arbeid naar behoren verrichten. Eer wordt hier bewezen aan de eeuwige God, want Hij is het, bij wie gezworen wordt en op wie alleen men zich aldus beroept. Sommigen denken, dat hier ook eer gedaan wordt aan het verbond van de besnijdenis door de plechtige handeling van het leggen van zijn hand onder zijn heup. Daar de eedaflegging een inzetting is die niet alleen tot de kerk behoort, maar algemeen is voor het hele mensdom, geschiedt zij naar de vormen, die gebruikelijk zijn in ons land.
2. Hij moet rein zijn van die eed, indien hij, na alles gedaan te hebben wat hij kon, toch niet slaagt in zijn zending. Dit voorbehoud werd door de voorzichtige dienstknecht gemaakt, vers 5, voor het geval, dat de vrouw hem niet zou willen volgen, en Abraham nam dit voorbehoud aan, vers 8. Eden behoren met grote behoedzaamheid gedaan te worden en wat gezworen is moet goed begrepen en bepaald worden, want "het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt en naar gedane geloften onderzoek doet," wat hij tevoren had moeten doen.
III. Het vertrouwen, dat hij stelde in een goede God, die, daaraan twijfelt hij niet-zijn dienstknecht voorspoed zal geven op zijn onderneming, vers 7. Hij gedenkt dat God hem wonderbaarlijk heeft uitgeleid uit het land van zijn geboorte, door de krachtige roeping van Zijn genade, en daarom twijfelt hij niet, of Hij zal hem voorspoedig maken in zijn zorg om zijn zoon niet daar weer heen te brengen. Hij gedenkt ook aan de belofte, die God hem gedaan en bevestigd heeft, dat Hij Kanaän zou geven aan zijn zaad, en daaruit leidt hij af, dat God zijn pogingen zal zegenen om zijn zoon uit te huwelijken, niet aan iemand uit deze ten verderve gewijde volken, maar aan een vrouw, die waardig is de moeder van zulk een geslacht te wezen. "Vrees dus niet, Hij zal Zijn engel voor uw aangezicht zenden, om uw weg voorspoedig te maken," Zij, die zich zorgvuldig houden op de weg van de plicht, zich in hun plannen en ondernemingen door de beginselen van hun Godsdienst laten leiden, hebben goede redenen om er voorspoed op te verwachten. God zal datgene tot ons welzijn doen uitkomen, waarin wij oprecht Zijn heerlijkheid op het oog gehad hebben. Gods beloften en onze ervaringen zijn voldoende om ons aan te moedigen om afhankelijk te willen zijn van God in al de zaken van dit leven en onze verwachtingen op Hem te bouwen. Gods engelen zijn dienende geesten, uitgezonden om de erfgenamen van de belofte niet slechts te bewaren en te beschermen, maar ook om hen te leiden en te besturen, Hebreeën 1:14. "Hij zal Zijn engel voor uw aangezicht zenden, en dan zult gij slagen in uw onderneming."