Genesis 11:10-26
Wij hebben hier een geslachtslijst, geen eindeloze geslachtsrekening, want zij eindigt hier in Abram, de vriend van God, en leidt verder naar Christus, het beloofde Zaad, die de Zoon was van Abram, en van Abram wordt de geslachtslijst van Christus gerekend, Mattheus 1:1 en verv. Voegt gij dus Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Mattheus 1 tezamen, dan hebt gij zo'n geslachtslijst van Jezus Christus, als, voorzover ik weet, van geen enkel persoon ter wereld overgelegd kan worden, buiten Zijn geslacht, en op zo'n afstand van de bron. En als wij deze drie geslachtslijsten bij elkaar leggen, dan zullen wij bevinden, dat twee maal tien, en driemaal veertien geslachten voorbij zijn gegaan tussen de eerste en de tweede Adam, waardoor het betreffende Christus duidelijk blijkt, niet slechts dat Hij de Zoon was van Abraham, maar de Zoon des mensen, en het Zaad van de vrouw.
Merk hier op:
1. Dat omtrent deze van dat geslacht niets in de geschiedenis vermeld is dan hun namen en hun leeftijd. De Heilige Geest schijnt zich te haasten om tot de geschiedenis van Abram te komen. Hoe weinig weten wij van hen, die ons voorgegaan zijn in deze wereld, zelfs van hen, die in dezelfde plaats leefden, waarin wij leven, gelijk wij ook weinig weten van hen die in ver- afgelegen plaatsen onze tijdgenoten zijn. Wij hebben genoeg te doen om acht te geven op het werk van onze dag, en moeten het aan God overlaten om het verledene of weggedrevene te zoeken, Prediker 3:15.
2. Dat er een opmerkelijke, trapsgewijze afneming is in de jaren, die zij leefden. Sem bereikte 600 jaren, wat reeds minder was dan de leeftijd van de patriarchen vóór de vloed. De drie volgende bleven beneden de 500, de drie daarop-volgende hebben de 300 niet bereikt en na hen lezen wij van niemand, die 200 jaren oud is geworden, behalve Terach, en niet vele eeuwen daarna heeft Mozes de gewone leeftijd des mensen berekend op 70, of op zijn hoogst 80 jaren. Toen de aarde begon vervuld te worden, begon het leven van de mensen korter te worden, zodat die vermindering toegeschreven moet worden aan de wijze beschikking van Gods voorzienigheid, veeleer dan aan een verval van de natuur. Om der uitverkorenen wil zijn de dagen van de mensen verkort, en kwaad zijnde, is het goed, dat zij weinige zijn, en dat zij niet bereiken de jaren des levens van onze vaderen, Hoofdstuk 47:9.
3. Dat Heber, naar wie de Hebreeën genoemd zijn, het langst geleefd heeft van allen die na de vloed zijn geboren, hetgeen wellicht een beloning was voor zijn uitnemende Godsvrucht en zijn nauwgezet wandelen op de wegen Gods.