Genesis 22:11-14
Tot nu toe is deze geschiedenis zeer treurig geweest, en scheen zich voort te spoeden naar een zeer tragisch einde, maar plotseling heldert de lucht op, de zon breekt door, een helder lieflijk tafereel opent zich voor onze ogen, de hand, die wondde en neerwierp, geneest hier en heft op, want "als Hij bedroefd heeft zo zal Hij zich ontfermen." De engel des Heeren dat is: God zelf, het eeuwige Woord, de Engel des verbonds, die de grote Verlosser en Vertrooster zal zijn, trad tussenbeide en gaf een gelukkige uitkomst aan deze beproeving.
I. Izak is gered, vers 11, 12. Het bevel om hem te offeren was slechts bestemd om Abraham op de proef te stellen, en het bleek toen dat Abraham inderdaad God meer liefhad dan hij Izak liefhad, het doel van dit bevel was dus bereikt, en daarom wordt het herroepen zonder dat hierdoor ook maar in het minst iets aan de onveranderlijkheid van Gods raadsbesluiten wordt afgedaan. Strek uw hand niet uit naar de jongen. Onze aardse zegeningen zullen ons waarschijnlijk dan het meest bestendigd worden, als wij het meest bereid zijn ze aan Gods wil over te geven. Gods tijd om Zijn volk te hulp te komen, is, als zij tot de uiterste nood zijn gebracht. Hoe dreigender het gevaar en hoe meer nabij, zodat wij wel reden hebben om te vrezen dat de ramp ons zal treffen, hoe meer welkom de uitredding.
II. Abrahams gedrag wordt niet slechts goedgekeurd, maar geprezen. Hij verkrijgt een eervol getuigenis, dat hij rechtvaardig is. Nu weet Ik dat gij Godvrezend zijt. God wist het reeds tevoren, maar nu heeft Abraham er een zeer treffend bewijs van gegeven. Hij behoefde nu niets meer te doen, wat hij gedaan had bewees genoegzaam zijn liefde tot God en zijn onderworpenheid aan Zijn wil. Als God ons in Zijn voorzienigheid verhindert om de oprechte voornemens, die wij hadden voor Zijn dienst, te volbrengen, dan neemt Hij genadig de wil aan voor de daad, en het eerlijk streven, al komt dit dan ook niet tot volbrengen. Het beste bewijs, dat wij God vrezen, is dat wij gewillig en bereid zijn Hem te dienen met hetgeen ons het dierbaarst is, en alles aan Hem of voor Hem over te geven.
III. Er wordt voorzien in een offer in plaats van Izaak, vers 13. Nu het altaar gebouwd en het hout er op geschikt was, was het nodig, dat er iets geofferd zou worden. Want:
1. God moet dankbaar erkend worden in de verlossing van Izaak, en dat wel hoe eerder hoe beter, nu het altaar bereid is.
2. Abrahams woord moet waar gemaakt worden: God zal zichzelf een lam ten brandoffer voorzien. God zal de verwachtingen van Zijn volk, die Hij zelf in hen opgewekt heeft, niet teleurstellen, naar hun geloof zal hun geschieden. "Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn."
3. Er moet gewezen worden op de beloofde Messias, het gezegende Zaad.
a. Christus werd in onze plaats geofferd zoals deze ram in de plaats van Izaak, en Zijn dood was onze bevrijding. "Hier ben Ik (zei Hij) laat dezen heengaan"
b. Hoewel dat gezegende Zaad onlangs beloofd was, en nu afgeschaduwd werd in Izaak, moest het offeren er van toch uitgesteld worden tot het einde der eeuwen en intussen zal het offer van dieren worden aangenomen, zoals deze ram aangenomen werd, als een onderpand der verzoening, die eenmaal door het grote Offer gedaan zal worden. En het is opmerkelijk, dat de tempel de plaats der offeranden, later op die berg Moria gebouwd werd, 2 Kronieken 3:1, en de berg Calvarie, waar Christus gekruisigd werd, was niet ver daar vandaan.
IV. Er werd aan de plaats een nieuwe naam gegeven tot eer van God en tot aanmoediging van alle gelovigen tot aan het einde der wereld, om in de weg der gehoorzaamheid blijmoedig op God te vertrouwen. Jehova-jireh, de Heere zal voorzien, vers 14, met toespeling waarschijnlijk op hetgeen hij gezegd had, vers 8. God zal zichzelf een lam voorzien. Abraham had dit niet verzonnen of bedacht het was ook geen verhoring van zijn gebed, hoewel hij zo'n groot voorbidder was, het was zuiver en alleen het doen des Heeren. Laat het voor alle volgende geslachten in gedachtenis worden gehouden:
1. Dat "de Heere zien zal," Zijn oog zal altijd op Zijn volk zijn gericht in hun kommer of benauwdheid, opdat Hij hun in het kritieke ogenblik tijdig te hulp zal komen.
2. Dat Hij "gezien zal worden, gezien op de berg," in de grootste verlegenheid van Zijn volk, Hij zal niet slechts Zijn wijsheid, macht en goedheid openbaren, maar verheerlijking in hun verlossing. Waar God ziet en voorziet, moet Hij gezien en geprezen worden, en wellicht heeft dit betrekking op "God, geopenbaard in het vlees."