2. Hoewel Abraham reeds eenmaal door God gestraft was geworden in Egypte (
hoofdstuk 12:10), omdat hij omtrent Sara gelogen had, verviel hij nochtans weer in dezelfde zonde. Als nu Abraham van Sara, zijn vrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, a) zo zond Abimelech, die deze titel, koningsvader, evenals de andere vorsten van de Filistijnen, droeg (hoofdstuk. 26:1;
Psalm 34:1;
1 Samuël 21:11, ), de koning van Gerar, en nam Sara weg 1) wellicht om door verzwagering met de rijke herdersvorst zijn macht en zijn aanzien te vergroten (
Hoofdstuk 21:22). Sara kan bovendien, ondanks haar vergevorderde leeftijd van bijna negentig jaar, een schoonheid geweest zijn, daar wegens de haar teruggegevene bestemming, om moeder te worden, ook haar vrouwelijke natuur zal verjongd zijn.
a) Genesis 26:7
1) De mens, die zich eens aan een zonde heeft overgegeven, vervalt gemakkelijk weer in hetzelfde kwaad. Ieder zondaar heeft zijn eigenaardige zwakheid, die zich telkens weer openbaart; elk herhaald toegeven is weer groter zonde. Abraham had Hebron niet moeten verlaten; want als men de van God aangewezene plaats met een andere gaat verwisselen, komt men in moeite. Toch wil de Heere Zijn vriend, die zijn eigen weg is gegaan, en aan onwaarheid spreken in ongeloof zich heeft schuldig gemaakt, niet aan zichzelf overlaten. De afkomst van Israël moet onbesmet zijn. Izaak mag niet aangezien worden voor een zoon van Abimelech. Wederom zijn Abrahams angsten zijn straf en moet hij `s konings bestraffing ondervinden; nochtans maakt God goed, wat Zijn dienaar bedorven heeft.. Wat goed is kwaad te maken verstaan wij wel; daar zijn wij meesters in; maar wat kwaad is goed te maken, dat is Gods kunstwerk.
Was Abraham vergeten, welke kastijding Gods hem getroffen had in Egypte? Of heeft hij gehoopt, dat het hem nu beter zal afgaan? Het eerste is moeilijk te geloven, al is het waar, dat de mens zowel de weldaden als de straffen Gods spoedig vergeet. Ook het tweede is te verwerpen. Hier was het niet, zoals in Egypte, een voorbedachte leugen. Wij hebben het ons zo voor te stellen, dat Abimelech bekoord door de schoonheid van Sara, haar tot vrouw begeerd heeft, niet wetende, dat het Abrahams vrouw was, en dat Abraham, op het ogenblik, dat men hem zijn vrouw afnam, door een ogenblikkelijke vrees is overvallen, en nu weer gezegd heeft, dat zij zijn zuster was. Toen hij naar het Filistijnenland reisde, heeft hij er niet om gedacht, dat een vreemde de 90-jarige Sara tot vrouw zou begeren..