Genesis 20:8-13
Abimelech, door God in de droom gewaarschuwd, nam de waarschuwing ter harte, en als iemand, die in waarheid bevreesd is voor de zonde en haar gevolgen staat hij `s morgens vroeg op om de bevelen, die hem gegeven zijn, ten uitvoer te brengen.
I. Hij waarschuwt zijn dienstknechten, vers 8. Abraham zelf kon niet zorgzamer zijn om zijn huis te bevelen, dan hij ten opzichte van deze zaak geweest is. Zij, die door God overtuigd zijn van zonde en gevaar, behoren aan anderen te vertellen wat God voor hun ziel gedaan heeft, opdat ook zij mogen ontwaken en tot een zelfde heilige vrees gebracht worden.
II. Hij heeft een bestraffing voor Abraham. Let op:
1. De ernstige bestraffing, die Abimelech aan Abraham gegeven heeft, vers 9, 10. Zijn betoog was krachtig, en toch ook zachtmoedig. Niets kon beter gezegd zijn, hij maakt hem geen verwijt en triomfeert niet over hem. Hij zegt niet: "Is dit nu uw belijdenis, uw Godsdienst? Gij wilt niet zweren, maar gij wilt wèl liegen. Als dat profeten zijn, dan wens ik er van verschoond te zijn hen te zien", maar billijk en redelijk houdt hij aan Abraham het kwaad voor, dat hij hem gedaan heeft, en geeft op kalme wijze zijn misnoegen er over te kennen.
a. Hij noemt hetgeen, waarvan hij in gevaar was geweest, zonde, een grote zonde. Zelfs het licht van de natuur leert de mens, dat overspel een grote zonde is, dit zij gezegd tot beschaming van velen, die zich Christenen noemen en die zaak toch zeer licht opnemen.
b. Hij beschouwt het, dat hij en zijn koninkrijk aan de toorn Gods blootgesteld geweest zouden zijn, indien hij zich schuldig had gemaakt aan die zonde, al had hij haar ook in onwetendheid bedreven. De zonden der koningen blijken dikwijls de plagen van hun koninkrijk te zijn, daarom moeten heersers om wille van hun volk vrezen voor de zonde.
c. Hij beschuldigt Abraham gedaan te hebben wat hij niet kon rechtvaardigen of verantwoorden, toen hij zijn huwelijk loochende. Daarvan spreekt hij rechtvaardig en toch ook met zachtmoedigheid. Hij noemt hem niet leugenaar en bedrieger, maar zegt hem, dat hij daden gedaan heeft, die niet moesten gedaan worden. Dubbelzinnigheid en veinzerij zijn zeer slechte dingen, al zoekt men ze nog zo te verzachten of te verontschuldigen, en mogen nooit toegelaten worden.
d. Hij neemt het op als een zeer groot onrecht, hem en zijn familie aangedaan, dat Abraham hem aldus in gevaar heeft gebracht om te zondigen. "Wat heb ik tegen u gezondigd? Als ik uw ergste vijand ware geweest, dan zoudt gij mij geen groter kwaad hebben kunnen aandoen, en geen krachtiger maatregelen hebben kunnen nemen om u op mij te wreken. Wij behoren het als de grootste onvriendelijkheid te beschouwen, die men ons zou kunnen aandoen, als men ons verleidt tot zonde, al is het ook dat men daarbij vriendschap voorwendt en ons aanbiedt wat voor de verdorven natuur zeer aangenaam is.
e. Hij tart hem om een reden aan te duiden, waarom hij dacht dat zij een gevaarlijk volk waren voor een eerlijk man om onder hen te wonen, vers 10. Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt? Wat reden hadt gij om te denken dat gij, zo wij geweten hadden dat zij uw huisvrouw is, er aan enigerlei gevaar om blootgesteld zoudt geweest zijn? Onze rechtschapenheid te verdenken wordt met recht als een grotere belediging beschouwd dan met geringschatting over onze grootheid te spreken.
2. De armzalige verontschuldiging, die Abraham voor zich aanvoerde vers 11.
a. Hij voerde de slechte mening aan, die hij had van de plaats, vers 11. Hij dacht bij zichzelf (ofschoon hij geen goede reden kon opgeven waarom hij het dacht) alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om der wille mijner huisvrouw zullen doden. Waar geen vreze Gods is, daar is weinig goeds te verwachten, zie Psalm 36:2. Er zijn veel plaatsen en personen, waarin meer vreze Gods is dan wij denken. Zij dragen misschien de naam niet van onze partij of van onze sekte, laten zich niet binden door hetgeen, waarvan wij een hoge dunk hebben, en daaruit besluiten wij dan, dat zij geen vreze Gods in hun hart hebben, hetgeen zeer beledigend is voor Christus zowel als voor de Christenen, en ons blootstelt aan het oordeel Gods, Mattheus 7:1. Liefdeloosheid en bedilzucht zijn zonden, die de oorzaak zijn van veel andere zonden. Heeft men eens van deze en gene het denkbeeld opgevat dat zij de vreze Gods niet hebben, dan komt men er licht toe te denken, dat hierdoor alle onrechtvaardige en onchristelijke praktijken tegen hen gerechtvaardigd worden. De mensen zouden geen kwaad doen, indien zij niet eerst kwaad dachten.
b. Hij weerde de schuld van zich af van een bepaalde leugen, door hem te vertellen dat zij, in zekere zin, zijn zuster was, vers 12. Sommigen denken, dat zij de eigen zuster was van Lot, die in Hoofdstuk 14:16, zijn broeder genoemd wordt, hoewel hij zijn neef was, en zo zou dan Sara zijn zuster genoemd zijn. Maar zij, tot wie hij zei: Ze is mijn zuster verstonden het zo, dat zij onmogelijk zijn vrouw kon wezen, zodat het een dubbelzinnigheid was, die ten doel had te bedriegen.
c. Hij wijst de beschuldiging af dat hij er een belediging van Abimelech mee bedoeld heeft door aan te voeren dat hij door een afspraak met zijn vrouw reeds vroeger die gewoonte gevolgd had, toen zij begonnen waren als vreemdelingen te verkeren, vers 13. "Toen God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, hebben wij die zaak aldus vastgesteld". God moet erkend worden in al onze omwandelingen. Zij, die buitenslands reizen en veel omgang hebben met vreemdelingen, hebben het nodig voorzichtig te zijn als de slangen, maar even nodig hebben zij het, dat deze voorzichtigheid getemperd wordt door de oprechtheid van de duif. Men zou wel de onderstelling kunnen wagen, dat God aan Abraham en Sara zo lang de zegen van kinderen onthouden heeft, om hen te straffen voor de zondige overeenkomst, die zij met elkaar waren aangegaan, om elkaar als man en vrouw te verloochenen. Als zij hun huwelijk niet willen erkennen, waarom zou God het dan erkennen door het met kinderen te zegenen? Maar wij kunnen veronderstellen dat zij, na de bestraffing, die zij er van Abimelech om ontvangen hadden, samen overeen waren gekomen, om die gewoonte voortaan na te laten, en nu lezen wij terstond daarna, Hoofdstuk 21:1, 2, dat Sara bevrucht werd.