Genesis 1:29-30
Wij hebben hier het derde gedeelte van het werk van de zesde dag, hetgeen niet bestond in een nieuwe schepping, maar in een genadige voorziening van spijze voor alle vlees, Psalm 136:25. Hij, die mens en alles gemaakt heeft, heeft er aldus voor gezorgd om ze te behouden, Psalm 136:7. Hier is:
I. Spijze, voorzien voor de mens. Kruiden en vruchten moeten zijn spijze wezen, daaronder begrepen koren en alle voortbrengselen van de aarde, deze waren hem toegestaan, maar geen vlees (naar het schijnt) tot na de zondvloed, Hoofdstuk 9:3. En vóór dat de aarde onder de vloed was bedolven, en nog veel meer, vóórdat zij om der wille van de mens vervloekt was, waren haar vruchten ongetwijfeld aangenamer van smaak, en meer voedend en versterkend voor het lichaam, dan merg en vettigheid en al de stukken van de spijs des konings nu zijn. Zie hier:
1. Hetgeen ons ootmoediger moet maken. Gelijk wij uit de aarde gemaakt zijn, zo worden wij ook uit de aarde onderhouden. Eens heeft de mens engelenspijze gegeten, brood uit de hemel, maar zij stierven, Johannes 6:49, voor hen was het slechts als brood uit de aarde, Psalm 104:14. Er is een spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, de Heere geve ons die spijze!
2. Hetgeen ons dankbaar moet maken. De Heere is voor het lichaam, van Hem ontvangen wij alle onderhoud en alle gerechtigheid van dit leven, en Hem behoren wij er dankbaar voor te zijn. Hij geeft ons alle dingen rijkelijk te genieten, niet slechts het nodige, maar overvloed en hetgeen ons liefelijk en aangenaam is, verscheidenheid, sieraad en verlustiging. Hoe veel zijn wij Hem verschuldigd! Hoe zorgzaam behoren wij te wezen, om, als wij leven van Gods milddadigheid, te leven tot Zijn eer!
3. Hetgeen ons matig behoort te doen zijn, en tevreden met ons lot. Hoewel aan Adam heerschappij was gegeven over vissen en gevogelte, heeft God hem toch in zijn voedsel beperkt tot kruiden en vruchten, en hij heeft daar nooit over geklaagd. Hoewel hij later verboden vrucht begeerd heeft, vanwege de wijsheid en kennis, die hij er zich van beloofde, lezen wij toch nooit, dat hij verboden vlees begeerd heeft. Als God ons spijze geeft voor ons leven, zo laat ons niet met het murmurerende Israël, spijze begeren naar onze lust Psalm 78:18. Zie Daniël 1:15.
II. Spijze, voorzien voor de beesten, vers 30. Zorgt ook God voor de ossen? Ja, voorzeker, Hij voorziet in geschikt voedsel voor hen, en niet alleen voor ossen, die gebruikt werden voor de offers en voor de dienst des mensen, maar zelfs voor de jonge leeuwen en de jonge raven zorgt God in Zijn voorzienigheid, zij vragen en ontvangen hun spijze van God. Laat ons Gode de ere geven voor Zijn milddadigheid jegens de mindere schepselen, die allen, als het ware, dagelijks gevoed worden aan Zijn tafel. Hij is een groot Huishouder, een zeer rijke en milddadige, die al wat leeft verzadigt. Laat dit het volk van God aanmoedigen, om al hun zorgen op Hem te werpen, en niet bezorgd te zijn omtrent hetgeen zij zullen eten en drinken. Hij, die voor Adam voorzien heeft zonder zijn zorge, en nog voor alle schepselen voorziet zonder hun zorge, zal hun, die op hem vertrouwen, het goede niet onthouden, Mattheus 6:26. Hij, die Zijn vogelen voedt, zal Zijn kinderkens niet laten verhongeren.