Prediker 11:7-10
Hier is een vermaning beide aan oude en jonge lieden, om aan sterven te denken en er zich toe voor te bereiden. Na ons door vele uitnemende voorschriften geleerd te hebben hoe goed te leven, komt de prediker nu bij het einde van zijn rede er toe ons te leren hoe goed te sterven, en ons aan ons einde te doen gedenken.
I. Hij wendt zich tot de ouden van dagen schrijft hun als vaders, om hen op te wekken om aan de avond te denken, vers 7, 8. Hier is:
1. Een redelijk toegeven van de zoetheid van het leven, die oude mensen bij ervaring kennen: het licht is zoet, het licht van de zon is dit. Het is de ogen goed de zon te aanschouwen, licht was het eerste ding, dat gemaakt was in de formering van de grote wereld, gelijk het oog een van de eerste is in de formering van het lichaam, de kleine wereld, het is aangenaam het licht te zien, de heidenen waren er zo door bekoord dat zij de zon gingen aanbidden: het is aangenaam om er de andere dingen bij te zien, de vele aangename gezichtspunten, die de wereld ons biedt, het licht des levens is dit. Licht is genomen voor leven, Job 3:20, 23. Het kan niet ontkend worden dat het leven zoet is: het is zoet voor slechte mensen omdat zij hun deel hebben in dit leven, het is zoet voor goede mensen omdat zij dit leven hebben als de tijd van hun voorbereiding voor een beter leven, het is zoet voor alle mensen, de natuur zegt dat het dit is en het kan niet betwist worden, ook kan de dood niet ter wille van zichzelf worden begeerd, maar wel gevreesd worden, tenzij dan beschouwd als het einde van tegenwoordig kwaad of een overgang tot toekomstig goed. Het leven is zoet, en daarom is het nodig een dubbele wacht over ons te stellen, opdat wij het niet al te zeer liefhebben.
2. Een vermaning om aan de dood te denken, zelfs in het midden van het leven, en als het leven het zoetst is, wanneer wij er het gemakkelijkst toe komen om de dood te vergeten. Indien de mens vele jaren leeft, zo laat hem ook gedenken aan de dagen van de duisternis, die komen. Hier wordt
A. Een zomerdag verondersteld, die genoten wordt dat het leven lang zal duren namelijk vele jaren, en dat het door de goedheid van God aangenaam kan gemaakt zijn, en de mens verblijdt zich in die allen. Er zijn van de zodanigen, die vele jaren in de wereld leven, aan vele gevaren ontkomen, vele zegeningen ontvangen, en daarom zeker zijn dat hun geen goed zal ontbreken en geen kwaad zal wedervaren, dat de kruik, die zo dikwijls in het gewelf van de springader is gekomen, nooit gebroken ervan terug komen zal. Maar wie zijn zij, die vele jaren leven en zich in die allen hebben verblijd? Helaas, niemand, wij hebben slechts uren van vreugde tegen maanden van verdriet, evenwel sommigen verblijden zich in hun jaren, hun vele jaren, meer dan anderen, indien deze twee dingen samenkomen: een toestand van voorspoed en een blijmoedige geest, dan kunnen zij veel doen om een mens in staat te stellen om zich in die allen te verblijden, -en toch heeft ook de voorspoedigste toestand zijn bijmengselen van smart of tegenspoed, en de blijmoedigste mens kent ogenblikken van neerslachtigheid, vrolijke zondaren hebben buien van treurigheid, en blijmoedige heiligen kennen godvruchtige smart, zodat het slechts een veronderstelling is, geen feit, dat een mens vele jaren zou leven en zich in die allen zou verblijden. Maar,
B. Hier wordt voorgesteld na deze zomerdag een winternacht te verwachten, deze gezonde, stevige oude man moet echter gedenken aan de dagen van de duisternis, want zij zullen vele zijn. Er komen dagen van duisternis, de dagen van ons liggen in het graf, daar zal het lichaam in duisternis liggen, daar zien de ogen niet, daar schijnt de zon niet. De duisternis des doods wordt gesteld tegenover het licht des levens, het graf is een land van duisternis, Job 10:21.
b. Deze dagen van duisternis zullen vele zijn, de dagen van ons liggen onder de grond zullen talrijker zijn dan de dagen van ons leven boven de grond. Zij zijn vele, maar zij zijn niet eindeloos, vele als zij zijn, zullen zij toch geteld en voleindigd worden, als de hemelen niet meer zijn, Job 14:12. Gelijk de langste dag zijn nacht heeft, zo zal de langste nacht zijn morgenstond hebben.
C. Het is goed voor ons om dikwijls te denken aan deze dagen van duisternis, opdat wij niet opgeblazen worden van hoogmoed, noch in slaap worden gesust in vleselijke gerustheid, noch zelfs tot onbetamelijkheid worden vervoerd door ijdele vrolijkheid.
d. Niettegenstaande de lange duur van het leven en de vele genietingen ervan, moeten wij toch gedenken aan de dagen van de duisternis, omdat die gewis komen zullen, en zij zullen met te minder verschrikking komen als wij er tevoren aan gedacht hebben.
II. Hij wendt zich tot de jonge lieden, en schrijft hun als kinderen, om hen op te wekken om aan de dood te denken, vers 9, 10. Hier hebben wij:
1. Een ironische erkenning van de ijdelheden en de genoegens van de jeugd, "verblijd u, o jongeling, in uw jeugd". Sommigen houden dit voor de raad, die de atheïst en de genotzuchtig persoon aan de jongeling geven, tegen welke giftige influistering Salomo aan het einde van het vers een krachtig tegengif voorschrijft. Maar er ligt meer kracht en nadruk in als wij het nemen zoals het gewoonlijk verstaan wordt, bij wijze van ironie, zoals die van Elia tot de priesters van Baäl: Roept met luider stem want hij is een god, of van Micha tot Achab: Trek op naar Ramoth in Gilead en gij zult voorspoedig zijn, of van Christus tot Zijn discipelen: Slaap nu voort. "Verblijd u, o jongeling, in uw jeugd leef een vrolijk leven, jaag uw vermaken na wandel in de wegen van uw hart, vrolijk uw hart op met droombeelden en ijdele verwachtingen, wandel in de wegen van uw hart, doe alles waar je zin in hebt, en deins voor niets terug om uw zinnelijke lusten te bevredigen: "quicquid libet licet" Maak uw wil tot uw wet, wandel in de wegen van uw hart, en laat uw hart wandelen naar eigen ogen, een zwerfziek hart naar ronddwalende ogen, doe wat behaaglijk is aan uw ogen, hetzij het al of niet behaaglijk is in Gods ogen." Salomo zegt dit in ironie tot de jongeling om te kennen te geven:
a. Dat dit het is wat hij doen zou, en waartoe hij wel graag verlof zou willen hebben, waarin hij zijn geluk denkt te vinden, en waar hij zijn hart op stelt.
b. Dat hij wenst dat allen, die hem omringen, hem deze raad zullen geven, hem zulke zachte dingen zullen zeggen, daar hij het niet zou kunnen dragen of dulden dat hem een raad zou gegeven worden in tegenovergestelde zin, dat hij hen voor zijn vijanden houdt, die hem vermanen om sober en ernstig te zijn.
c. Om zijn dwaasheid aan te tonen, en de grote ongerijmdheid van een weelderige, ondeugdzame wijze van leven, de gewone beschrijving ervan zou, indien de mensen de dingen geheel en al wilden zien en ze onpartijdig willen beoordelen, genoeg zijn om aan te tonen hoe zij, die zo'n leven leiden, tegen alle rede en gezond verstand handelen. Het blootleggen van de zaak volstaat reeds om tot een beslissing te komen, zonder dat men nog argumenten aanvoert. d. Om aan te tonen dat, zo de mensen zich aan zo'n wijze van leven overgeven, het rechtvaardig is in God om hen aan henzelf over te laten, hen over te laten aan de begeerten van hun hart, Hosea 4:17.
2. Een zeer nadrukkelijke bestraffing van deze ijdelheden en genietingen: "Weet, dat God om alle deze dingen u zal doen komen voor het gericht, bedenk dit, en leid dan zo'n weelderig leven, indien gij kunt, indien gij durft." Dit is een halsband een verbetering, van de vorige concessie, en haalt de teugels weer aan, die hij op de hals van de lusten van de jongeling slap had laten hangen. "Weet en wees er zeker van dat indien gij u zo'n vrijheid veroorlooft, dit uw eeuwig verderf tengevolge zal hebben, want gij hebt te doen met een God, die het niet ongestraft zal laten." Er is een toekomend oordeel. Wij moeten, een ieder van ons, voor het gericht komen, hoe wij heden de boze dag ook ver van ons stellen. Er zal op die dag met ons afgerekend worden voor al onze vleselijke vrolijkheid en ons zinnelijk genot. Het is goed voor allen, maar inzonderheid voor jonge lieden, om dit te weten en hieraan te denken, opdat zij, door toe te geven aan hun jeugdige lusten, zich niet toorn vergaderen als een schat in de dag des toorns, des toorns van het Lam.
3. Een woord van waarschuwing en vermaning naar aanleiding van dat alles, vers 10. Laat jonge lieden wel toezien op zichzelf, en wel acht geven op hun ziel en hun lichaam hun hart en hun vlees.
a. Laat hen zorgdragen dat zij niet opgeblazen worden door hoogmoed, noch beroerd worden door toorn en zondige hartstocht. Zo doen dan verdriet of toornigheid wijken van uw hart, het woord geeft wanorde of beroering van het gemoed te kennen. Jonge lieden zijn licht ongeduldig onder bestraffing of bedwang, geneigd om in opstand te komen tegen alles wat hen vernedert, en hun trotse hart verheft zich tegen alles wat hen tegenspreekt en tegenwerkt. Zij zijn zo gesteld op hetgeen de zinnen behaagt, dat zij niets kunnen dulden of dragen dat onaangenaam is want dat baart hun verdriet, dikwijls zal hun hoogmoed hen verontrusten, maken dat zij zich onbehaaglijk gevoelen. Laat dit van u wijken, doe de liefde tot de wereld weg uit uw hart en verwacht niets meer van het schepsel, en dan zullen teleurstellingen geen aanleiding van toorn en verdriet voor u wezen. Sommigen verstaan hier door verdriet de vleselijke vrolijkheid, beschreven in vers 9, waarvan het einde bitterheid en smart zal wezen. Laat die verre blijven van alles, dat bij de herinnering er aan smart zal wezen.
b. Laat hen zorgdragen, dat hun lichaam niet verontreinigd wordt door onmatigheid, onkuisheid of enigerlei vleselijke lusten, doe het kwade weg van uw vlees, en laat de leden van uw lichaam geen wapenen zijn van de ongerechtigheid. Het kwaad van de zonde zal het kwaad zijn van de straf, en hetgeen gij liefhebt als goed voor het vlees, omdat het er de lusten van bevredigt, zal blijken er kwaad en schadelijk voor te wezen, doe het daarom hoe verder hoe liever van u weg.
Om aan zijn vermaning aan oud en jong kracht hij te zetten, voert de prediker als een krachtig argument aan hetgeen het grote onderwerp is van zijn rede, namelijk de ijdelheid van alle tegenwoordige dingen, hun onzekerheid en hun ongenoegzaamheid.
1. Hij herinnert oude lieden aan dit, vers 8, al wat gekomen is, is ijdelheid, ja, al is het ook dat een mens vele jaren leeft, en zich in die alle verblijdt. Al wat reeds gekomen is, en al wat nog komen zal, hoeveel de mensen zich ook van de slottonelen voorstellen, het is al ijdelheid. Wat zal zijn zal niets meer doen om de mensen gelukkig te maken, dan wat geweest is. Allen, die in de wereld komen, zijn ijdelheid, zij zijn dit geheel en al, zelfs in hun beste toestand.
2. Hij herinnert jonge lieden hieraan: De jeugd en de jonkheid is ijdelheid. Er is in de gezindheid en in de daden van de kindsheid en van de jeugd zeer veel ongerechtigheid, zeer veel dat onvoegzaam is, zondige ijdelheid, waartegen jonge lieden moeten waken, en waarvan zij genezen moeten worden. Er is in de genoegens van kindsheid en jeugd geen zekerheid, geen voldoening, geen duurzaamheid, zij gaan voorbij, deze bloemen zullen spoedig verwelken en deze bloesems afvallen, laat hen zich daarom zetten tot goede vruchten, die zullen blijven en goede winst opleveren.