Genesis 1:24-25
Wij hebben hier het eerste gedeelte van het werk van de zesde dag. Op de vorige dag was de zee met haar vissen gevuld, en de lucht met haar vogels, en op deze dag worden nu de landdieren geschapen, het vee en de kruipende dieren van de aarde. Hier evenals te voren:
1. Sprak de Heere het woord. Hij zei: De aarde brenge voort. Niet alsof de aarde enigerlei vruchtbare kracht heeft om deze dieren voort te brengen, of alsof God haar Zijn scheppingskracht had afgestaan, maar: "Laten thans die schepselen in het aanzijn komen op de aarde, en er uit te voorschijn komen in hun onderscheidene soorten, overeenkomstig de ideeën er van in de Goddelijke raadsbesluiten betreffende hun schepping."
2. Hij deed ook het werk, Hij maakte ze naar hun aard, niet slechts in verschillende gestalten, maar ook met een verschillende natuur, verschillende manieren, en behoefte hebbende aan verschillend voedsel. Sommigen er van zijn tamme huisdieren, anderen zijn wilde dieren in bos en veld. Sommigen leven van gras en kruiden, anderen van vlees, sommigen zijn onschadelijk, anderen zijn verslindende roofdieren, sommigen zijn stout en koen, anderen schuw en vreesachtig. Sommigen zijn voor de dienst van de mens, niet voor zijn voedsel, zoals het paard, anderen strekken hem tot voedsel, maar doen hem geen diensten, zoals het schaap, anderen, zoals de os, zijn voor beide geschikt, en sommigen voor geen van beide, zoals de wilde dieren. In al deze dingen wordt de menigvuldige wijsheid van de Schepper openbaar.