Genesis 17:15-22
Hier is:
I. De belofte gedaan aan Abraham van een zoon bij Sarai, de zoon in wie de belofte, die hem gedaan was, vervuld zou worden, dat hij de vader van vele volken zal zijn, want ook zij zal een moeder wezen van volken, en koningen der volkeren zullen uit haar worden, vers 16. God openbaart trapsgewijze de bedoelingen van Zijn liefde jegens Zijn volk. God had lang tevoren aan Abraham gezegd, dat hij een zoon zou hebben maar niet nu, dat hij een zoon zal hebben bij Sarai. De zegen des Heeren maakt vruchtbaar, en voegt geen smart toe, niet zo'n smart als in het geval van Hagar. Ik zal haar zegenen met de zegen der vruchtbaarheid, en dan zult gij een zoon bij haar hebben." Er is beloofd, dat niet alleen volken, maar koningen der volken uit haar zullen voortkomen, geen talrijk gezelschap zonder hoofd, maar een wèl-ingerichte, goed bestuurde maatschappij.
II. De bekrachtiging van deze belofte was de verandering van Sarai's naam in Sarah, vers 15. Dezelfde letter wordt toegevoegd aan haar naam, welke aan Abram's naam toegevoegd werd, en om dezelfde reden. Sarai betekent mijn vorstin, alsof haar eer bepaald was door slechts één gezin of geslacht, Sarah betekent een vorstin, namelijk, van menigten, of wel aanduidende dat uit haar de Messias zal voortkomen, Messias de vorst, de vorst van de koningen der aarde.
III. Abrahams dankbare vreugde en blijdschap vanwege deze genaderijke belofte, vers 17 Bij die gelegenheid betoonde hij:
1. Grote nederigheid, hij viel op zijn aangezicht. Hoe meer gunst en eer God ons verleent, hoe geringer wij moeten zijn in onze eigen ogen, en hoe meer eerbied jegens God en hoe meer aan Hem onderworpen.
2. Grote blijdschap. Hij lachte, het was een lachen van vreugde niet van wantrouwen. De beloften van een heilig God zijn, even goed als Zijn vervulling er van, de blijdschap van heilige zielen, er is een blijdschap des geloofs zowel als een blijdschap in de genieting. Nu was het, dat Abram zich heeft verheugd de dag van Christus te zien, nu zag hij hem en is verblijd geweest, Johannes 8:56, want gelijk hij in de belofte van Kanaän de hemel zag, zo zag hij Christus in de belofte van Izaak.
3. Grote bewondering. Zal hem, die honderd jaren oud is een kind geboren worden? Hij spreekt er hier volstrekt niet van als van iets twijfelachtigs, (want wij zijn er zeker van, dat hij "aan de belofte van God niet getwijfeld heeft door ongeloof," Romeinen 4, 20) maar wel als van iets zeer wonderbaarlijks, en dat niet anders dan door de almachtige kracht Gods teweeggebracht kon worden, en als van iets zeer goeds en vriendelijks, een gunst, die des te meer treffend was, omdat zij zo uiterst verrassend was, Psalm 126:1, 2.
IV. Abrahams gebed voor Ismaël, vers 18. Och dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht! Dit zegt hij, niet als wens dat aan Ismaël de voorkeur gegeven mocht worden boven de zoon, die hij bij Sara zal hebben, maar als vrezende dat hij door God verlaten en verstoten zou worden, daarom zendt hij die bede voor hem op tot God. Nu God met hem spreekt, denkt hij een goede gelegenheid te hebben om een goed woord voor Ismaël te spreken, en hij zal die gelegenheid niet laten voorbijgaan. Hoewel wij God niets mogen voorschrijven, vergunt Hij ons toch om in het gebed nederige vrijmoedigheid bij Hem te gebruiken, inzonderheid als wij Hem onze begeerten bekendmaken, Filippenzen 4:6. Wat het ook zij, dat ons zorg baart en vrees, wij kunnen en mogen het aan God zeggen in ons gebed. Het is de plicht van ouders om voor hun kinderen te bidden, voor al hun kinderen zoals Job, die brandoffers offerde naar hun aantal, Job 1:5. Abraham wilde niet, dat men zou denken dat, toen God hem een zoon beloofde bij Sara, die hij zozeer begeerde, zijn zoon bij Hagar vergeten was, neen, nog draagt hij hem op het hart en toont hij zijn zorg over hem. Het vooruitzicht op nog verdere zegeningen moet ons niet onachtzaam maken ten opzichte van de vroeger genoten gunsten. De grote zaak, die wij voor onze kinderen van God moeten begeren, is dat zij mogen leven voor Zijn aangezicht, dat is: dat zij in het verbond met Hem mogen blijven, genade mogen hebben om in oprechtheid voor Zijn aangezicht te wandelen. Geestelijke zegeningen zijn de beste zegeningen, die wij het vurigst van God moeten begeren voor onszelf en voor anderen. Diegenen leven wèl, die voor Gods aangezicht leven.
V. Gods antwoord op dat gebed, en het is een antwoord van vrede. Abraham kon niet zeggen, dat hij Gods aangezicht tevergeefs had gezocht.
1. Aan Ismaël worden algemene zegeningen verzekerd, vers 20. Aangaande Ismaël, over wie gij zo in zorg zijt, heb Ik u verhoord, om uwentwil zal hij gunst vinden, Ik heb hem gezegend, dat is: Ik heb veel zegeningen voor hem weggelegd.
a. Zijn nakomelingen zullen talrijk zijn, Ik zal hem vruchtbaar maken en hem gans zeer vermenigvuldigen, meer dan zijn naburen, dit is de vrucht van de zegen zoals die in hoofdstuk 1:28.
b. Zij zullen aanzienlijk zijn twaalf vorsten zal hij gewinnen. Wij kunnen in liefde hopen, dat hem ook geestelijke zegeningen geschonken waren, hoewel de zichtbare kerk niet uit zijn lenden is voortgekomen en het verbond niet gemaakt was met zijn geslacht. Grote overvloed van uitwendig goed wordt dikwijls geschonken aan die kinderen van Godvruchtige ouders, die geboren zijn naar het vlees, het wordt hun omwille van hun ouders geschonken.
2. Voor Izak worden verbondszegeningen bewaard, vers 19-21. Indien Abraham in zijn gebed voor Ismaël bedoelde, dat hij het verbond met hem gemaakt wenste, en dat het beloofde Zaad uit hem zou voortkomen dan heeft God hem niet verhoord naar de letter maar wel in iets dat er aan gelijk, of liever dat in alle opzichten beter was.
a. God herhaalt hem de belofte van een zoon bij Sara, voorwaar, zij zal u een zoon baren. Zelfs ware gelovigen hebben het nodig, dat Gods beloften hun herhaald worden, opdat zij een sterke vertroosting zouden hebben, Hebreeën 6:18.
b. Hij geeft een naam aan dat kind, noem hem Izaak, Lachen, omdat Abraham zich in de geest heeft verheugd, toen hem deze zoon beloofd was. Indien Gods beloften onze blijdschap zijn, dan zullen Zijn beloofde zegeningen ter bestemder tijd onze zeer uitnemende blijdschap zijn. Christus zal een Lachen zijn voor hen, die Hem verwachten, zij, die zich thans verblijden in de hoop, zullen zich weldra verblijden in het hebben van hetgeen zij hoopten, dit is een lachen, hetwelk niet uitzinnig is.
c. Hij vestigt het verbond op dat kind, Mijn verbond zal Ik met Izaak oprichten. God neemt in Zijn verbond op wie het Hem behaagt naar het welbehagen van Zijn wil, zie Romeinen 9:8, 18. Aldus was het verbond met zijn verschillende bepalingen vastgesteld tussen God en Abraham, en toen eindigde God met hem te spreken, en het visioen verdween, God voer op van Abraham. Onze gemeenschap met God hier beneden wordt gestoord en afgebroken, in de hemel zal zij eeuwigdurend en volkomen ongestoord wezen.